| 1 |
 |
“... Antigua is zulks
echter niets sterk aan te raden, eensdeels omdat het vaar-
water tusschen dit eiland en Barbuda naauw is, als strek-
kende zich van het laatslgezegde een aantal blinde klippen
wel eene mijl ver uit van het, overigens vlakke strand.
Van Mei tot November heerschcn aldaar bovendien stilten,
afgewisseld door regen en windbuijen. Men kan er niet
ankeren en er is eene zeer onregelmatige diepte boven
koraal- en klipgrond. Daarbij is Barbuda laag, en men
kan op niet meer dan omtrent 4 mijlen deszelfs hoogste
gedeelten zien. Eindelijk, is ook de noordkust van An-
tigua in geenen deele zoo zuiver als de zuidkust. Er
liggen daar klippen tot op f mijl uit den wal. Daaren-
tegen kan men den zuidkant van het eiland gerust tot op
^ en ^ mijl naderen en omzeilen. Deze allen zullen
(t) Zie l)'j
|
|
| 2 |
 |
“...406
gen eilanden, beiden van een vulcanisch voorkomen en
van welke het oostelijksle en minst vruchtbare Grande
terre, en het westelijksle, Petite terre wordt genaamd.
Dit laatste is het vruchtbaarste, gezondste en hoogste, door
welke laatste eigenschap men het dan ook al reeds op
11 mijlen afslands zien kan.
Grande terre, minder bergachtig en meer effen vlak
zijnde dan Petite terre, is, vooral aan den zuidoostkant,
laag, doch noordwaarts op wordt het hooger en bergach-
liger, cn er verheft zich daar ccne, tot in de wolken rei-
kende piek die naar het noord-oosten met eene zeer
zachte cn langzame helling, in eene lage punt te niet loopt.
Z vertoont zich dat eiland als men uit het ziiid-oosten
komt, terwijl, uit die rigting gezien, deszelfs zuidelijk
gedeelte zich met het noorder einde van Petite terre
schijnt te vereenigen. (1)
Het is aan de noord en ook vooral aan de zuidzijde
sehoon en kan daar van nabij aangeloopen worden. Van
de oostpunt alln steekt een klippen...”
|
|