| 1 |
 |
“...359
Oudtijds, loeii men niet die goede middelen liad, om op
lee de lengte te bepalen welke men thans be/.it, was het
de gewoonte, omstreeks kaap Orange de kust van Guyana
in het zigt Ie loopen (dat is ongeveer op 51 15' bewes-
ten Greenwich), om vervolgens, westwaarts langs die kust
henen zeilende, naar de rivier Suriname, enz. af te hou-
den, Men deed zulks ten einde niet door de aanhoudend
westwaarts aanloopende, soms nog al sterke strooraen,
beneden de verlangde haven te geraken en integendeel
zeker te zijn, dat men zich nog boven dezelve bevond:
tevens om zich beter aan het land te kunnen verkennen,
hetgeen zoo ver oostwaarts op veel beter kan geschieden,
dan bewesten de rivier Marowyne. Intusschen, z doende
moest men ook de Constapels eilanden op de kust van
Fransch Guyana voorbij zeilen, welke het geen zaak is
des nachts nabij te komen, omdat in derzelver omstreken
reeven en ook blinde klippen gelegen zgn. Bewesten de
rivier Marowyne daarentegen, bevinden zich...”
|
|
| 2 |
 |
“... loef-wal kan men bijna rakelings nemen.
Als men de plantage Dordtrecht voorbij is, begint het
wat op te droogen en men nadert eenen drempel, waarop,
met gewone getijen, maar 2| a 2| vadem (42| a 47 pal-
men) soms ook minder water slaat, doch met springgetijen
is daar 3 vadem (51 palmen). Digt onder den wal hou-
dende zal men in het vaarwater zijn.
Van Jagtlust blijve men nog den loef-wal houden, tot
dat men dwars is van de eerstvolgende groep hooge
boomen en loope dan midden s vaarwaters naar de stad,
tot dat men de kreek der eerstvolgende plantage [Meer-
zorg) open krijgt, waarna men den vlaggenslok van het
fort Zeelandia (1), houdt in het eerste huis der stad.
Z doende zal men dieper water bekomen en de stad
naderen, voor welke men, boven het gezegde fort, in
(1) Het fort Zeelandia, is aan het begin der stad gelegen....”
|
|
| 3 |
 |
“...-punt steekt eene bank uit, welke
men, op het lood af, in 2f tot 3 vademen (47 tot 51 pal-
men) omzeilt en die men zoo digt mogelijk moet hou-
den wil men niet vervallen op de zandbanken, welke zich
builen den mond der rivier Corantyn (van welke de
Nickerie slechts een kleine zijtak of groote kreek is) wel
14 mijl ver in zee uitstrekken en reeds op 3J vademen
(60 palmen) diepte zich aanwijzen. Derzelver noord-
oostelijke punt valt met half tij droog.
Z zal men dan den zoogenaamden Blinden-hoek (het
Bluff-point der Engelsche kaarten) in het zigl loopen.
Deze is de oost-hoek der Corantyn. Ook zal men een
eiland ontdekken, in de Corantyn gelegen en het Ba-
peyaayen eiland genaamd* Zoodra men dit buiten den
Blindm-hoek krijgt, sturc men regt op dien hoek aan,...”
|
|