| 1 |
 |
“... Gaatchu,
en heru (dat is een ossenhoorn daar ze op blazen en twee ijzers
die ze op elkander slaan) eindelijk zag ik een ontzettende stoet
naderen van groote gespierde negers alle slechts met een korte
linnen broek gekleed met een riem om hun lijf gegespt, dat ging
in vollen draf voorwaarts, alle volmaakt op de maat van het een-
tonig muzijk, een hoop voor uit een hoop achter, een draagstoel
in het midden dat acht of tien man op de schouders hadden, en
dat ik niet beter kap vergelijken dan bij een doodbaar, daaronder
een hangmat doorhangt en boven met hoepels waar gordijnen
over gespannen zijn, een oude dame zat of liever lag er in die
zich eens van haar tuin naar de stad liet dragen een vervaarlijk
leven de hoop voor en achter met geen instrumenten voorzien
zingen luidkeels en al juist op den dreun onder een daverend
afgepast handgeklap niet anders als la la la la la laldra laldra la
wat door alle die het maar eenigsints in de verte hooren herhaald
wordt, de slaven der tuinen...”
|
|