Your search within this document for 'man' resulted in 38 matching pages.
 
1

“...-baai. Daar de geheele bemanning van Becquards schip echter niet meer dan vijftig man bedroeg, kon slechts een klein getal der equipage worden achtergelaten, waarom Becquard besloot naar St.-Eustatius te vertrekken om van daar kolonisten naar de nieuwe kolonie over te brengen....”
2

“...17 Intusschen had Jacob, Hertog van Koerland, aanspraak op het eiland gemaakt. Hij beweerde reeds door Koning Jaco van Engeland en door Koning Karei I in het bezit van het eiland te zijn bevestigd, terwijl hij ten overvloede nog van den graaf van Warwick alle diens rechten op het eiland, hem gegeven ingevolge het privelege van Koning Karei I, had overgenomen. Karei II ondersteunde de eischen van den Hertog bij de Staten Generaal, doch deze lieten zich daaraan weinig gelegen liggen. Hertog Jacob rustte daarom een expeditie van 150 man uit, die enkele maanden nadat Becquard Tobago had verlaten, daar aankwam. Het eiland echter in het bezit der Hollanders vin- dende, verzochten de Koerlanders niets anders dan om te mogen landen teneinde zich van water te voorzien, hetgeen hun geree- delijk werd toegestaan, doch van die gunst misbruik makende, weigerden zij zich weer in te schepen, vestigden zich op de plaats nog heden Courland-bay geheeten en bouwden daar het fort Jacob...”
3

“... eene boot, over welke schepen, onder het opperbevel van den dapperen Commandeur Abraham Crynssen., de kapiteins Loncke., de Mauregnault., Ie Sage en Keuvelaer het bevel voerden, terwijl aan de kapiteins Julius Ligtenbergh en Maurice de Bame het gezag was toevertrouwd over de 300 man uitgelezen troepenmacht, die het eskader vergezelde. In December 1666 in zee gestoken, richtte Crynssen allereerst den koers naar Suriname., waar hij de Engelsche volkplanting, door Lord Willoughby gesticht, noodzaakte het Nederlandsch gezag te erkennen (28 Februari 1667). Van daar begaf hij zich naar Essequebo, waar de Zeeuwen zich in vorige jaren hadden gevestigd, doch door de Franschen en Engelschen waren genoodzaakt het land te ontruimen. Ook hier herstelde Crynssen het gezag der Staten, liet er, evenals te Paramaribo, eene bezetting achter en stevende daarna naar Tobago. Omstreeks April (1667) kwam hij op dit nu onbewoond eiland aan en wierp er eene versterking op, waarna hij, eenige...”
4

“... anker vallen in een baai, op drie uur afstand van het fort. Den volgenden dag ontscheepte dEstres dezelfde vloot- voogd, die met de Britsche zeemacht voor drie en vier jaren de Nederlanders had helpen bevechten 800 man om de sterkte aan de landzijde aan te vallen, terwijl hij tevens vier fregatten tot voor het fort deed opzeilen om het van den zeekant aan te tasten. Den 19 werd de sterkte opgeischt door den Ridder de Lery, die tijdens de verovering van het eiland aldaar Gouverneur was, door Binckes naar Amsterdam opgezonden werd, in die stad uit zijn gevangenis ontvlucht was en nu als vrijwilliger den tocht bijwoonde, in de hoop, dat de gelegenheid zich zou aanbieden, den door hem beganen misstap in het spoedig overgeven van het fort door dapperheid uit te wisschen. De Nederlandsche bevelhebber, Qirin b Deze soort van uitrusting, deels ten koste van het Rijk, deels van officieren of bijzondere personen, was toen in Frankrijk vrij gewoon. Zie Sue, Hist, de la Marine Fran...”
5

“..., zoo mogelijk, ook deze Nederlandsche volkplanting voor zijn wapenen te doen bukken. Twee jachten werden door hem vooruit gezonden om de ligging en gesteldheid van dat eiland op te nemen, en hij zelf kwam den 20 Februari 1677 met zijn geheel eskader voor Tabago opdagen. Dit eskader was samengesteld uit tien schepen van oorlog, als een, zijnde het admiraalschip Ie Glorieux^ van 72 stukken en 445 man, en van 62, en van 58, twee van 50, twee van 46 tot 48, drie van 36 tot 38 stukken, alle zeer goed gewapend en overvloedig bemand, een brander, twee snauwen, een kits en galjoot, aan welker boord zich, behalve de zeelieden, negen compagnien krijgsvolk bevonden, ten getale van 450 man, gelijk mede 400 gewapende planters van de naburige eilanden en een aantal jonge edel- 0 Holl. Mercuriua Ao. 1677, blz. 76; Ponckt de la Grave, Prda Hiorique, T. I., p. 228; Vie dEstres, par Richer, p. 30, en vooral het omstandig verslag van den graaf dEstees, te vinden in VHistoire de la Marine...”
6

“...lieden, die den tocht vrijwillig bijwoonden; tellende het gansche smaldeel 4060 koppen, over hetwelk, onder den graaf dEstkes, zeer dappere en kundige mannen het gebied voerden, zooals de kapitein Gabaret, die nu met den rang van schout bij nacht bekleed was...................de graaf DE Blenac en anderen. Zoodra de commandeur Binckes onderricht was van de nadering der vijandelijke scheepsmacht en bij hare verschijning voor het eiland merkte, dat de Franschen voornemens waren eene landing te doen, zond hij eene afdeeling van honderd man naar de Palmytbaai, om deze zoo mogelijk te beletten. Doch overtuigd geworden dat, bijaldien hij al de landing daar mocht verhinderen, er zich veelvuldige andere gelegenheden tot uitvoering van dat ontwerp aanboden, zonder dat hij in staat zou zijn zulks tegen te gaan, riep hij deze afdeeling terug, teneinde geen volk, dat zoo hoog noodig was, onnut te verspillen. Hij stelde dus vast zijn macht bijeen te houden ,.en nam met overleg van...”
7

“... 44 stukken niet meer dan 118 en de- overige schepen van 24 tot 36 stukken slechts 25, 35, 52 tot 74 man telden, eene noodlottige omstandigheid, welke voornamelijk uit het groot gebrek aan volk, maar ook uit den aard der genomen maatregelen voortsproot, en die op de uitkomst van den strijd een onmisbaren invloed uitoefende, maar die tevens de "dapperheid der Nederlandsche zeelieden nog meer doet uitkomen. Verder vormde Binckes uit de meest kundige soldaten een klein korps grenadiers tot het werpen van granaten op den "vijand. Ook liet hij een mortier naar het fort overbrengen om "bommen op den vijand te kunnen schieten. Voorts maakte "hij nog zooveel verbeteringen aan de vestingwerken als de tijd gedoogde, richtte in het nog niet voltooide bolwerk van het "groote fort een borstwering van tonnen op, plantte tusschen "deze geschut en deed de huizen in den omtrek der schans in brand steken, opdat de vijand zich daarin niet mocht nestelen. op deze wijze hoopte en vertrouwde...”
8

“...kunnen afwachten, tegen wien hij met. zijn gewone kloek- moedigheid hesloten had zich tot het uiterste te verdedigen. Inmiddels waren de Franschen op den 21 Februari ten getale van ruim duizend man geland. Het gebied over deze krijgsmacht was door den graaf dEstkes opgedragen aan den scheepsmajoor de Hrotjabd de la Piogerie en aan den ridder de Geand-Fontaine, voormalig bevelhebber van het voetvolk in Franschen dienst. Het kostte den vijand nog al eenige moeite tot in de nabijheid der sterkte door te dringen, daar hij zich door een zwaar bosch een weg moest banen om tot haar te kunnen genaken. Den tweeden dag na de landing vertoonden de Franschen zich voor het eerst in de nabijheid der schans, waarna een tamboer uit naam van den graaf dEstees de sterkte kwam opeischen, hetgeen natuurlijk door Binckes werd geweigerd, met bijvoeging: Dat hij en de zijnen tot de forteres te veel moeite hadden gedaan om deze zoo lichtvaardig over te geven. Van nu af zond Binckes bijna...”
9

“...even buiten musketschot van de sterkte en bereidden zij zich aldaar tot een hevigen aanval. ot dusverre was niets van de zeezijde gebeurd, hetgeen aanduidde, dat de vijand voornemens was met zijne scheeps- macht ook het Nederlandsche smaldeel aan te grijpen. Er hadden zich alleen eenige sloepen voor de baai vertoond, kennelijk met het doel om het inkomen te peilen en de gesteldheid der baai, van het smaldeel en der sterkte op te nemen; doch deze waren spoedig met het geschut verdreven. Ook hadden veertien vijandelijke sloepen, vol volks en aan- gevoerd door twee hoofdofficieren, in den nacht tusschen den 22sten eu 23*" Februari getracht het adviesjacht de Fortuin, hetwelk op de brandwacht lag, te overrompelen, doch de moedige commandant Jan Erasmus, die door Binckes met man versterkt was, had de Franschen zoodanig ontvangen, dat zij mannelijk afgeslagen werden en met be- bloede hoofden moesten terugwijken. Er waren ook wel eenige vijandelijke oorlogsschepen tot voor...”
10

“... Nederland had bijgewoond, nog altijd die kundig- "heden en die ondervinding, welke noodwendig in den gebieder van een vloot of smaldeel gevorderd worden. Dit gebrek had, althans gedeeltelijk, kunnen verholpen worden, indien dEstbes den raad van deskundigen had ingeroepen en willen volgen. Maar van hem wordt getuigd, dat hij een man was, die hoog ingenomen was met zijn eigen denkbeelden en er bijzonder veel prijs op stelde om voor een ervaren zeeman door te gaan, die alles zelf wilde doen en ook deed, maar daardoor dikwerf gebrekkig; die hoog en koud was tegen zijn minderen; die naijverig was omtrent allen, ook in de kleinste aangelegenheden, en die nimmer blijken van vertrouwen of goedkeuriirg gaf aan de bevelhebbers, welke met en onder hem 1) In het beleg van Grevelingen (1644) werd hij, 20 jaar oud zijnde, verminkt aan zijn linkerhand en sedert droeg hij dien arm steeds in een zwarten doek. Sue geeft zijn afbeelding in het derde deel van zijne geschiedenis van het Fransche...”
11

“... menigte van het talrijk bemande vijandelijke schip, Ie Glorieux, op den zwak bemanden Nederlandschen bodem en maakt zich in weinige oogenblik- ken van het bovenschip meester, hetgeen zulk een schrik verwekte onder de zeelieden van Vlacq, reeds vervaard door "de schepen, die zij rondom zich zagen branden, dat een gedeelte van hen, meenende dat het schip veroverd was, in de boot "springt en naar land vlucht. Dan, noch dit lichtvaardig bedrijf ^), noch de overmacht des vijands is in staat den moedigen bevelhebber zijn bedaardheid te doen verliezen. Hij geeft last het anker te kappen, teneinde tegelijk met dEstres naar het strand te drijven, om aldus, zoo zijn schip niet kon gered "worden, dan ook dat des Franschen opperbevelhebbers mede "in het verderf te slepen. Le Glorieux weet echter nog bij tijds door het kappen van de enterdreggen van de Kruiningen 1) Le Glorieux voerde 445, het Nuis te Kruiningen niet meer dan 128 man. 2) Zoo noemt Binckes het....”
12

“... meegevoerd en het verlies van den zoogenaam- den overwinnaar zeker vijfmaal grooter is dan dat des overwon- nenen -)? Het is waar het getal der door de vlammen vernielde Nederlandsche schepen was grooter dan dat der Franschen, daar dat der eerste tien, dat der laatste niet meer dan drie, behalve de twee genomen bedroeg. Maar, behalve dat van deze tien slechts vijf eigenlijk gezegde oorlogsschepen waren. b Gabakbt, de Lzine en De la Bordb; de lijst der verdere ge- doode en gekwetste Fransche officieren is te vinden in den Holl. Ifercurius 1677 en in het Leoen van Binckbs, voorkomende in de Levens en Daden der doorl. Zeehelden. Het verlies der Franschen wordt door de onzen op minstens 1500 en hoogstens 2500 man begroot. Het verlies der Nederlanders op de schepen en aan land beliep aan dooden 205, aan gekwetsten 144, niet meegerekend de omgekomen zieken, slaven, enz. Van onze zijde sneuvelden de comman- deur Galtie Galtjes, de kapiteins Pibter Stolwyck en Pieter Cooreman, pn de...”
13

“...iets omtrent den voorgenomen tocht mocht vernemen of dat een scheepsmacht ter hulp van dien bevelhebber uit Nederland mocht komen opdagen, hield dEstbes zich hij dat eiland slechts weinige dagen op, zette daarna rechtstreeks koers naar Tabago en liet op den 6 December in de nabijheid van het eiland, maar op een voldoenden afstand van het fort, om niet bemerkt te kunnen worden, het anker vallen. Door de ondervinding wijzer geworden, ving dEstbes het werk ditmaal met meer voorzichtigheid dan bij den vorigen tocht aan. Hij besloot, hoezeer de scheepsmacht der Neder- landers thans slechts uit twee schepen van oorlog bestond, den aanval alleen van de landzijde te doen en de baai enkel te doen insluiten, zich verzekerd houdende dat, wanneer hij eenmaal meester van het fort was, de schepen van zelf in "zijne handen zouden vallen. Het kwam er nu voornamelijk maar op aan de landing te doen gelukken. Te dien einde zette hij nog in den avond na zijn aankomst 550 man, onder den...”
14

“...meer dan 350 man ter zijner beschikking had, welke hem hoog noodig ter verdediging der sterkte waren, maar die allen de beste gezindheid aan den dag legden en hun opperbevelhebber plechtig trouwen bijstand beloofd hadden. Binckes zich hierop verlatende, nam de noodige maatregelen tot een hardnekkige verdediging van het fort, en plaatste tegelijk zijne schepen zoodanig, als hij het meest nuttig oordeelde om den vijand, bijaldien hij mocht ondernemen ook een aanval van de zeezijde te doen, wel te onthalen. Een noodlottig toeval verijdelde spoedig al die wijze voorzorgen en maakte de kloekhartigheid der Nederlanders vruchteloos. Niet voor den elfden December geraakte dEstres in gereedheid om de sterkte aan te tasten, want de verhakkingen door de onzen gemaakt, de onbruikbare wegen, de zware bosschen en onophoudelijke stortregens hadden den Franschen zooveel moeielijkheden veroorzaakt, dat er drie of vier dagen verliepen, alvorens zij het geschut en de verdere...”
15

“... het Gemeenebest het eiland en het fort Tabago nevens het oorlogsschip de Bescherming van 50 stukken, een gewapende fluit, de Koning David, en het bij de vorige onderneming veroverde, doch bijna onbruikbaar Fransch oorlogsschip Ie Prcieux. Beklagenswaardig voorzeker was dat verlies vooral omdat men bij tijdigen bijstand het wellicht had kunnen voorkomen. Maar nieo minder treurig was de dood van den dapperen Binckes, die terecht in een der verhalen van deze gebeurtenis genoemd wordt een voorzichtig soldaat, een man- haftig kapitein, en getrouw commandeur en een goedertieren Christen, wiens vorige heldendaden bewijs gaven van grootere verwachtingen, nalatende aan het vaderland een zucht tot zijn persoon en voor zich zelven een onsterfelijken naam Te midden der verwarring was het aan Geerit Claes ') SiLvius, Hist, omes tijds. D. I. B. XV, bl. 91. Hij stierf ongehuwd, maar was verloofd aan zekere jonkvrouw, Ingena Botterdam genaamd, die later in het huwelijk trad met Pieter...”
16

“... mogendheid bevoegd verklaard er kolonies te stichten en er handel op te drijven, zonder er nochtans een militaire bezetting te mogen plaatsen ). Nu werd door 1) De Hertog van Koerland had intusschen ook met Frankrijk en Engeland geschil gekregen over het recht op het eiland. 2) In 1688 schijnen de Pranschen echter het voornemen te hebben gehad om het eiland weer in bezit te nemen. In een brief (d.d. 17 April 1688) van Lucas Schoreb, Commandeur van St. Eustatius en Saba, aan Bewindhebberen ter Kamer Zeeland, vond ik vermeld: Dus verre geschreven hebbende, bekome kundschap van Martin- nique dat den francen Generaell monsr. Le Comte de Blunac van den Koningh sijn Meester ordre ghekregen heeft, van sigh in Persoon na Tabago te begeven, mede nemende uijt yder Compe. Soldaten 25 man en eenige voornaame Officieren, om het selve Eylandt in possessie te nemen......... Den 7 Juli 1688 meldde Schoher echter, dat de Fransche generaal met...”
17

“... tFort landen, met omtrent 900 man, sender dat het ons van den Vijandt wierde gedisputeert, die 1) Hieronder heb ik opgenomen, hetgeen ik omtrent Binckes en de aanslagen op Cayenne en Tabago gevonden heb in het werk, dat tot titel voert: Hollandtze Mercnrius. Tot Haerlem. Gedruckt by Pieter Casteleyn, Boeck-drucker op het Zandt, in de Goude Keyzers Croon, 27e en 28e deel. Door de late toezending van het verslag ontbrak mij de t(jd om het verhaal van de Jonge te toetsen aan de verslagen in den Mercurius opgenonien of naar de plaatsen te verwijzen, waar de een uitvoeriger is dan de ander. De lezer gelieve m(j deze onvolledigheid in mijn opstel wel te willen verschoonen. s-Gravenhage, September 1900. J. H. J. HAMELBERG....”
18

“...ons anders door de Bosschagie in t landen veel afbreuck had kunnen doen; tot ons geluck vonden wy een Musquet-schot van strandt een bequaeme wagen-wegh na tFort, en ons in ordre gestelt hebbende, marcheerden regel-recht na t Fort, daer wij onder t faveur van de Bosschagie tot effen buyten een Musquet-schot aen haer Trencheen advanceerden, en haer Wercken, soo veel doenlijck gerecognoseert hebbende, sonden wy een Trompetter om tFort en tLant op te eysschen, gaven voor antwoort, datse het ons soo niet meenden te geven, sonder eerst onse macht te sien; wy lieten voor de tweede- mael vragen, op wat maniere dat zy dat begeerden te sien, waerop zy met een Fransse glorie antwoorden, soo t ons geliefde; hier op om de tyt te menageren, en geen courage aen den Vyant te geven, en discourage aen ons Yolck, die heel courageux waren, commandeerden wy den Lt. la Croix, met 50 man van de Compagnie van Capiteyn Witsen, die wy van den Capiteyn Tindel met een Compagnie Scheeps-Soldaten...”
19

“.... Col. Hermose, 85 m. Cap. van Dongen, 5 geq. Lt. la Croix, met de Komp. van Cap. Schans, 1 dood, 1 geq. Cap. Witze, 85 m. Cap. Johan Swerius, 1 dood. Kap. Tindel met een Komp. 8 geq. Scheeps-Soldaten, 85 m. Lt. Savone, commanderende Kom. Jan Erasmus met een de Comp. van de Lt. Coll. Komp. Matrosen, 100 m. Hermose, 1 dood. Kap. Lt. Galtie, commanderende Pieter de la .Croix, Lt. van over 8 lichte stucken, yder Cap. Cornells Witze, 3 dood. schietende 1 pont yser, met 13 geq. 48 m. t Samen 14 dooden, 72 ge- Pioniers en met Bylen, 48 m. quetsten. t Samen 1051 man....”
20

“...; en had het geluck, dat omtrent de Kiviere van Apr o vague een Scheepje van K antes ontmoete, waer in een Fransman was, welcke maer 15 dagen geleden, uyt het Fort van Cajana was vertrocken; dese gaf van alles bescheyt, namentlijck, datter 300 Mannen in waren, dat de Plaatse voor- sien was met nieuwe Palissaden, en voort met 26 stucken Geschut, &c. waer op Monsr. dEstree nu staet kennende mae- cken, den 17 December op de Reede van Armire, zynde omtrent 3 Mylen van t Fort, ten Ancker quam: Hier lande hy omtrent 800 Man, die verdeelde in twee Corps, als eene onder den Grave van Blenac, en t ander onder Sr. Faucher ende Grand- fontaine: Waer tegens de onse uyt het Fort niet anders en deden, als dat van verre met een partye quamen recognosceren, wat de Franssen al deden, als meynende, dat het landen niet en was te beletten, en dat de Fransse alleen het Eylant souden trachten te plunderen, maer t heeft gebleecken, dat zy daer in haer self misleydt hadden: Monsr. Gabaret bleef...”