| 1 |
 |
“....
Naar democratische inrichtingen is zulks plicht.
Ik ben er van overtuigd. Mijnheer de Voorzitter, dat
dit college er in geslaagd is, \mor de uitgebrachte critiek
de juiste argumenten te vinden en dat het den Staten
gelukt is aan deze critiek de juiste bewoordingen te geven.
Eveneens ben ik er van overtuigd. Mijnheer de Voor-
zitter, dat het aan het Bestuur slechts ten deele gelukt
is, het juiste antwoord te vinden op het reeds meer ge-
noemde eindverslag van dit college.
'De nota van het Bestuur naar aanleiding van het
: eindverslag is koel en gereserveerd van toon, meermalen
! gaat zij niet in op de door de afdeelingen in groote eens-
I gezindheid gestelde vragen, doch beantwoordt deze slechts
j gedeeltelijk, of op onvoldoende wijze.
' Het sterkst kwam zulks Avel tot uiting. Mijnheer de
Voorzitter, in de passage in de genoemde nota:
In verband met de beschouwingen der afdeelingen.
I AA^elke gewijd zijn aan de monetaire politiek, moge worden
I vooropgesteld dat krachtens...”
|
|