| 1 |
 |
“... van buiten bij te staan. Zij hadden
al meer dan genoeg aan de armen, die in en om de stad woon-
den.
In overleg met den Gezaghebber en de landraden stelde on-
dergeteekende vast, hoe in den nood zou worden voorzien:
door werkverschaffing; het uitdeelen van beschuiten (een soort
voedzame scheepsbeschuit) aan de schoolkinderen; en door
geldelijke ondersteuning van zieken, ouden van dagen, ge-
brekkigen etc.
Het was toen reeds te verwachten, dat de nood minstens
een maand of negen zou duren: tot aan den nieuwen oogst.
En dit werd ook later bewaarheid.
AVel vielen er gelukkig in het voorjaar een paar goede re-
genbuien, waardoor er beter drinkwater kwam en wat voeder
voor het vee, dat anders zeker van honger zou zijn omgeko-
men hetgeen duidelijk is als men weet, dat het gedurende
het geheele jaar 1914 maar vier en tachtig en een halve millimeter
had geregend doch die regens gaven de menschen geen
voedsel en geen werk.
De toestand bleef dan ook langen tijd zeer slecht. Wel...”
|
|