| 1 |
 |
“...Een akker, die bevloeid kan worden, heet in Indi een sawah.
Ze is door lage walletjes omgeven, waardoor het mogelijk is een
waterlaag er op te laten; door openingen in de dammetjes kan het
water weer wegloopen naar afvoerleidingen. Er is dus in zoover
overeenkomst tusschen een sawahterrein en ons polderland, dat men
in beide den waterafvoer in zijne macht heeft. Bij de sawahs heeft
men hovendien liefst den toevoer in zijne macht. Men heeft dan niet
voor droogte te vreezen en kan het water steeds zacht laten stroomen,
wat veel beter is dan dat het stilstaat. Waar geen water kan worden
toegevoerd, heeft men de meest eenvoudige sawahbouw, de van
den regen afhankelijke sawahs, bij welke de oogst door droogte kan
mislukken.
Veel talrijker zijn de uit rivieren en beken bevloeide sawahs.
Bevloeiing uit vergaarkommen of vijvers, in Dekan zoo menigvuldig,
komt in den Archipel weinig voor en op kleine schaal, het meest
op Java. In door bergen omringde vlakten kan dit geschieden...”
|
|
| 2 |
 |
“...60
medaansche inlanders zeer gezien, zijn bijna allen afkomstig uit
Hadramaut, het zuidelijk kustland van Arabi. Ook bij hen verhuizen
alleen de mannen, mede uit armoede; anders dan de Chineezen
nemen de vermengden in den regel inlandsche gewoonten aan en
gaan na weinige geslachten in de inlandsche maatschappij op. In de
groote steden wonen meestal een paar duizend Arabieren. De meesten
zijn handelaars en winkeliers; ook hebben ze een groot aandeel in
de kustvaart.
Klingaleezen noemt men de Voor-Indirs uit Dekan (naar
Chiueesche tuin Ie Soerabaja.
Kalinga, de oude naam der kust van Koromandel), en dikwijls ook
menschen uit andere streken van Voor- en Achter-Indi. Ze zijn
meest handelaren, ambachtslieden en in Deli koelies op de tabaks-
landen.
De Nederlanders zijn de ambtenaren, de landbouw-industrielen
en kooplieden met hunne bedienden, en beoefenen alle beroepen.
waartoe Westersche studie noodig is; de handwerkslieden onder hen
zijn gering in aantal. Een groot...”
|
|