| 1 |
 |
“... percentage per jaar. Dan moeten
de contante waarden ook berekend worden met datzelfde rentepercentage.
De opbrengst van de beleggingen speelt dus een belangrijke rol.
Voor de vorige twee wetenschappelijke balansen is 3 % als basis genomen.
In de tekst bij de tweede balans (blz. 27) is reeds opgemerkt, dat de rente, welke van nieuwe
beleggingen gemaakt werd, in 1949 2,765 % en in 1950 2,847 % was. Daarom is toen ook een
balans opgesteld, welke op de rentevoet van 2£ % gebaseerd was.
Bij de beschouwing van deze materie is ook nog gelet op de kosten welke de inning van de
intrest en de verdere administratie van deze effecten meebrengen en die vrij aanzienlijk zijn.
Deze tezamen zijn in de jaren 1953 t/m 1955 ongeveer 12 % van de renteopbrengst geweest. In
de jaren 1951, 1952 en 1953 is als gemiddeld rendement van de gekochte effecten gevonden 3,32;
3,25 en 3,50 % of gemiddeld 3,36 %. Netto kan dus op een rendement van ongeveer 2,96 % ge-
rekend worden. #
Met het oog op deze...”
|
|
| 2 |
 |
“...CENTRALE BOEKERIJ
Mannelijke deelgenoten naar pensioenverordening Pensioen- verordening 1899 Pensioenverordening 1938 met in stand gehouden verzekering x) Pensioen- verordening 1938 Tezamen
Aantal Pensioen- grondslag Aantal Pensioen- grondslag eigen pens. Pensioen- grondslag verzekering Aantal Pensioen- grondslag Aantal Pensioen- grondslag
Gouv. ambtenaren . . * , 4 { 26 035 8 f 52 186 f 27 703 1232 f 6 218 635 1244 f 6 296 856
Bijz. onderwijzers . . ? gehuwd 176 1 110 700 176 1 110 700
Gouv. ambtenaren . . . . i niet gehuwd Y met kind 1 10 800 i n 18 91 680 19 102 480
Bijz. onderwijzers . . . . )
Gouv. ambtenaren . . ... | niet gehuwd 1 10 800 174 537 060 175 547 860
Bijz. onderwijzers . . i zonder kind 13 45 588 13 45 588
R.K. geestelijken . . 28 100 800 28 100 800
R.K. ordebroeders . . 100 473 172 100 473 172
6 f 47 635 8 f 52 186 f 27 703 1741 f 8 577 635 1755 f 8 677 456
) Onder de pensioenverordening van 1899 was het...”
|
|
| 3 |
 |
“...12
Van de vrouwelijke in dienst zijnde deelgenoten waren er nog 3, op wie de pensioen verorde-
ning van 1899 van toepassing was. Haar pensioengrondslag bedroeg in totaal f 10 440.
§ 2. Mannelijke en jrouwelijke gepensioneerde deelgenoten en pensioen genietende weduwen en
wezen op 31 december 1954
Op 31 december 1954 waren er 334 mannelijke en 76 vrouwelijke gepensioneerde deelgenoten
met tezamen f 1 018 858 pensioen. Op die datum genoten 163 weduwen f 171 350 en 100 wezen
f 12 497 pensioen. De drie hierna volgende staten geven nadere bijzonderheden.
Gepensioneerde mannelijke deelgenoten Pens.- veror- dening ' Aantal Pensioen Pensioen- grondslag Gehuwd (van wie met verzekering) Ongehuwd met kinderen
Gouvernementsambtenaren . 1868 4 f 10 456 f 14 288 2 (2)
1899 67 183 668 334 361 54 (8) i
1938 167 506 649 1 002 501 147 (24) 2
Bijzondere onderwijzers . . 1899 1 2 850 5 340 1
1938 5 12 210 31 515 5
K.K. geestelijken 1899 2 2 400 4 800
1938 12 24 582 43 200
K.K...”
|
|
| 4 |
 |
“...III. TECHNISCH GEDEELTE
§ 1. Sterfte- en andere tafels
Evenals voor de tweede wetenschappelijke balans zijn vergelijkingen gemaakt tussen de
waargenomen aantallen van overlijden, van pensionering enz. en de aantallen, welke volgens de
voor die balans aangenomen tafels verwacht konden worden. In de volgende paragrafen zijn de
uitkomsten gegeven.
De gebruikte tafels en verdere grootheden zijn zoveel mogelijk gebaseerd op de periode van
de laatste 10 jaar, waardoor althans de onregelmatige oorlogsjaren buiten beschouwing konden
blijven. Wel is waar was in 1945 nog niet een meer stabiele toestand ingetreden, maar de af-
wijkingen, welke optreden door dit jaar mede te nemen, lijken van weinig betekenis te zijn. Voor
de in het algemeen weinig aan uitwendige invloeden onderhevige sterfte is de periode 1937/1954
in beschouwing genomen.
§ 2. Sterfte onder gepensioneerden
Voor deze sterfte is bij de tweede wetenschappelijke balans de sterftetafel voor actieve eu
gepensioneerde...”
|
|
| 5 |
 |
“...17
lende perioden sterk variert. Om een voorbeeld te noemen: onder de mannelijke gepensioneerden
werden in de jaren 1945/1949 35 sterfgevallen waargenomen, terwijl er 52,0 verwacht werden.
In de periode 1950/1954 daarentegen 54 waargenomen tegen 57,7 verwacht. Daarentegen was de
sterfte onder de weduwen in eerstgenoemde periode ongeveer volgens de verwachting, 35 tegen
36,3, terwijl voor de laatste balansperiode 25 weduwen overleden tegen een Verwachting van 34,6.
Het kleine aantal waarnemingen stelt slechts in staat de waargenomen sterfte in grote trekken
te volgen, waarbij gezorgd moet worden, dat de sterfte niet te hoog wordt aangenomen, daar de
uitkomsten van de balans anders een te gunstig beeld zouden geven.
§ 3. Activiteitstafels
Uiteraard is de sterfte onder de in dienst zijnde deelgenoten nog slechter uit eigen ervaring
te bepalen. De kansen op overlijden zijn zowel voor de mannen als voor de vrouwen onveranderd
uit de vorige balans overgenomen.
Voor de mannen...”
|
|
| 6 |
 |
“... 113 115
45 128 132 121 127
50 132 137 126 135
55 132 135 129 137
60 132 128 129 137
65 132 121 129 137
70 132 119 129 137
De relatieve stijging in grondslag van een ambtenaar van de leeftijd x-\ in het eerstkomende
jaar wordt gegeven door de verhouding V i : V i.
*'12 **' 2
Uit de staat blijkt, dat zowel voor de mannen als voor de vrouwen de verhogingsgetallen
minder steil verliepen. Met andere woorden, dat de door de promotie veroorzaakte verhoging der
pensioengrondslagen per jaar geringer was dan voor de vorige wetenschappelijke balans is aan-
genomen. Het toen gebruikte tijdvak van 2 jaar is blijkbaar te kort om tot betrouwbare cijfers
te komen, hoewel ook andere oorzaken aan het vlakkere verloop ten grondslag kunnen liggen.
Een verder onderzoek is hiernaar niet ingesteld.
Een enkel woord over de daling der verhogingsgetallen der mannen voor de leeftijden boven
50 in de 2e wetenschappelijke balans is hier op zijn plaats. Uit de op blz. 22 van de tekst bij die
Vx+1...”
|
|
| 7 |
 |
“...19
§ 5. Verhouding pensioen tot grondslag
Zowel uit de tekst bij de eerste wetenschappelijke balans (§31) als uit die bij de tweede
blijkt, dat de bij de bepaling der voor de raming der lasten zo belangrijke grootheid verhou-
ding van pensioen tot grondslag de gewenste nauwkeurigheid niet beraikt was. Het aantal
pensioneringen van mannelijke deelgenoten, dat in de jaren 1940 t/m 1944 40 bedroeg, steeg in
de periode 1945-1949 tot 120, terwijl in de jaren 1950 t/m 1954124 mannen gepensioneerd werden.
Het zoveel grotere aantal maakte het mogelijk thans voor de mannen waarden voor P/G te vinden,
welke min of meer rechtstreeks uit de waarnemingen zijn afgeleid. Daartoe zijn van alle pen-
sioneringen in de jaren 1945 t/m 1954 de middelsommen der pensioengrondslagen en de pensioenen
verzameld en beide grootheden leeftijdsgewijze opgeteld. Hieruit zijn met grafische interpolatie
waarden voor de verhouding van pensioen tot grondslag P/G gevonden.
Voor de vrouwen zijn in de vorige...”
|
|
| 8 |
 |
“... deze wijze beschikbaar komende met de
werkelijk uitgegeven bedragen bleek, dat de eerste op een jaar na niet geheel voldoende waren.
Beschikbaar in 2 % van pensioen 1 % van pens.- grondslag Tezamen Volgens jaar- verslag besteed
1950 f 17 700 f 68 860 f 86 560 f 86 255
1951 19 240 75 220 94 460 99 897
1952 20 820 82 580 103 400 118 187
1953 22 140 87 840 109 980 115 456
1954 23 320 93 590 116 910 119 245
In het jaarverslag over 1954 is vermeld, dat de administratie ten kantore van het pensioen-
fonds aan een reorganisatie is onderworpen. Onder de in 1954 bestede kosten ad f 119 245 is
f 12 305 begrepen als bedrag, dat de reorganisatie in dit jaar gekost heeft.
Uit deze cijfers blijkt, dat de reorganisatie vruchten heeft afgeworpen en de jaarlijks weder-
kerende kosten van beheer in 1954 minder zijn geweest dan daarvoor beschikbaar was. Gelet
op deze ontwikkeling, werd het verantwoord geacht de percentages op 2 resp. 1 te handhaven.
§ 10. De benodigde bijdragepercentages...”
|
|
| 9 |
 |
“.... Inkoopsommen, verschuldigd bij toetreding
De bepaling van het gemiddelde der inkoopsommen leverde moeilijkheden op, doordat voor
verschillende in de periode 1950/54 toegetreden personen de op grond van de Pensioenverordening
Burgerlijke Landsdienaren 1938 verschuldigde bijdragen wegens vr de aanstelling in vaste
dienst volbrachte diensttijd nog niet of slechts voorlopig was vastgesteld.
De volgende methode is toegepast om de invloed van dit niet bekende gedeelte zo goed
mogelijk in rekening te brengen.
Van alle inkoopsommen, welke definitief vastgesteld zijn, zijn het voor eigen pensioen en
het voor weduwen- en wezen verschuldigde afzonderlijk gesommeerd evenals de pensioengrond-
slagen bij toetreding. De als een totaal voorlopig vastgestelde inkoopsommen zijn in dezelfde ver
houding als de definitief vastgestelde gesplitst in bijdrage voor eigen en voor weduwen- en wezen-
pensioen. Door deling van de som der inkoopsommen voor eigen pensioen en van de som van die
voor weduwen- en...”
|
|
| 10 |
 |
“... eerst de invloed van de incorporatie op de pensioneringskansen, op de
pensioenen enz. waargenomen zou moeten zijn.
Die invloed werkt bovendien geleidelijk door. Het is mogelijk, dat de relatieve verlaging der
pensioenen op den duur leiden tot een langer in dienst blijven dan nodig is om recht op pensioen
te verwerven. Dit brengt andere pensioneringskansen en andere verhoudingen tussen pensioen en
grondslag mede dan thans waargenomen wordt.
Met dergelijke mogelijkheden is geen rekening gehouden. Bij de bepaling der grootheden is
uitsluitend rekening gehouden met de wijzigingen, die op grond van de te treffen regelingen moe-
ten optreden. Zo is het duidelijk, dat alle deelgenoten, die bij of na het bereiken van de 50-jarige
leeftijd met pensioen zijn gegaan zonder 25 dienstjaren vervuld te hebben, het tijdstip hunner
pensioenaanvrage zouden hebben moeten uitstellen, indien te voren de vereiste diensttijd op
25 jaren gesteld was.
Het bedrag van het nieuwe pensioen is afgeleid uit...”
|
|
| 11 |
 |
“...29
wegens invaliditeit op grond van daarvoor aangenomen kansen gepensioneerd zou zijn, zulks
totdat 25 dienstjaren bereikt zijn. Door sommering zijn nieuwe pensioneringskansen bepaald.
Daarbij is in aanmerking genomen, dat op de leeftijd, waarop de pensionering tot nu toe geschiedde,
dan geen pensionering plaats vindt. Op grond van deze kansen en de vroeger aangenomen ontslag-
en sterftekansen is een nieuwe activiteitstafel samengesteld, welke opgen&nen is als staat IV.
§ 7. Verhogingsgetallen
De bepaling van de verhogingsgetallen op de vorenomschreven wijze uit de pensioengrond-
slagen, zoals die in elk jaar van de periode 1948 t/m 1954 geweest zijn, zou meer arbeid gevraagd
hebben dan verantwoord was.
Er is daarom gezocht naar een andere methode van benadering. Die is gevonden in de meer
eenvoudige, maar minder betrouwbare methode om de verhogingsgetallen te bepalen uit de ge-
middelde pensioengrondslagen op n balansdatum. De verhouding van deze gemiddelden geeft
ook...”
|
|
| 12 |
 |
“...30
De invloed van de incorporatie is dus een geringe afvlakking van de verhogingsgetallen.
Gezien het globale karakter van de berekeningen zijn voor de vrouwelijke deelgenoten geen
afzonderlijke Fs bepaald. Op de bepaling der lasten voor de vrouwen wordt in § 10 teruggekomen.
De in het bovenstaande uiteengezette methode van bepaling van de nieuwe verhogings-
getallen brengt mede, dat het nodig was voor de na de invoering toetredende deelgenoten dezelfde
verhogingsgetallen te gebruiken. Omtrent de afwijking, welke hun promotie zal vertonen bij die
van de reeds in dienst zijnden, is trouwens, als gezegd, geen redelijke veronderstelling te maken.
Een onderzoek, ingesteld om na te gaan of de grootheden a wijziging behoefden, leidde er
toe deze ongewijzigd te laten.
§ 8. Verhouding pensioen tot grondslag
Volgens de ontworpen regeling voor de incorporatie kan aan hen, die op het tijdstip van
invoering daarvan reeds in dienst zijn, pensioen toegekend worden na het voldoen aan de...”
|
|
| 13 |
 |
“... 14,6.
§ 12. De wetenschappelijke balans na incorporatie der duurtetoeslagen
Staat VI bevat de wetenschappelijke balans, zoals die per 31 december 1954 zou zijn geweest,
indien de incorporatie van de duurtetoeslagen in de pensioengrondslagen op die datum was in-
gegaan.
Slechts de posten voor de lasten en baten der in dienst zijnden, welke in de vorige paragraaf
zijn aangeduid, wijken af van die op de in staat III opgenomen en in hoofdstuk IV omschreven
balans. Voor de reeds gepensioneerden dan wel met recht op uitgesteld pensioen ontslagenen
brengt de incorporatie geen verandering. De dezen betreffende balansposten blijven dus onver-
anderd.
Uiteraard blijven de posten effecten en dergelijke ook dezelfde.
De contante waarde der in totaal voor de in dienst zijnden te verwachten aanvullende bij-
dragen is berekend met het bovengenoemde percentage van 14,6. Na invoering van de incorpo-
ratie is dit dus verschuldigd van de pensioengrondslagen van alle in dienst zijnde deelgenoten...”
|
|
| 14 |
 |
“...43
STAAT VI
Activa
WETENSCHAPPELIJKE BALANS, OPGEMAAKT IN DE VERONDERSTELLING, DAT DE INCORPORATIE VAN DE DUURTETOESLAGEN OP 31 DECEMBER 1954 INGEVOERD WAS
Rentevoet 2-J % In 1000 gld.
__ 9
Kas en kassiers...................................................................................
Debiteuren e.d....................................................................................
Intrest...........................................................................................
Effecten....................................................................................... .
Rechtstreekse leningen............................................................................
Hypotheken...................................................................................
Onroerend goed (boekwaarde).......................................................................
Contante waarde:
nog te vorderen buitengewone bijdragen...”
|
|