Your search within this document for 'was' resulted in twelve matching pages.
1

“... van 193.828 genoemd, dat in dat jaar nog op grond van vr de oprichting van het fonds gende bedragen gestort is. In 1938 is onder dat hoofd het bedrag van 149.000 vermeld, dat bij de opneming der politiemilitairen wegens overdracht van pensioenlast ge- stort is door het Weduwen- en Weezenfonds van Europeesche militairen beneden den rang van officier bij, de Koloniale troepen. In 1945 is 1.329.857 geboekt uithoofde van gemaakte koerswinst op het kapitaal, dat in Curagao onbelegd was en omstreeks de jaarwisseling 1945/46 ter be- legging naar Nederland is gezonden. § 5. Voor den oorlog was er geen wezenlijk koersverschil tusschen den Curagao- schen en den Nederlandschen gulden. De pensioenen luidden niet in een bepaalae valuta en werden in Curagao in Curagaosche, in Nederland in Nederlandsche guldens betaald. De oorlog heeft hierin verandering gebracht en sedert de monetaire over- komst met Engeland is de waarde van het Engelsche pond in Curagao 7,60 en in Nederland 10,691...”
2

“...10 De pensioenverordening voor onderwijzers bij, het gesubsidieerd bijzonder on- derwijs is vervat in P.B. 1937 No. 130 en gelijk aan die van de ambtenaren; die voor de Curagaosche politiemilitairen in P.B. 1939 No. 22, na balansdatum gewijzigd bij P.B. 1945 No. 67 en 68, nadat een voorloopige regeling getroffen was in P.B. 1938 No. 7, gewijzigd bij P.B. 1938 No. 34. De wijziging bij P.B. 1945 No. 67 bezit terug- werkende kracht tot 1 Juli 1943, den datum van ingang van de nieuwe bezoldigings- regeling. De voorloopige regeling is behouden voor de weduwen en weezen van hen, die in of na 1931 bij de militaire politietroepen dienst hebben gedaan, doch vr 1 Januari 1939, den datum van de inwerkingtreding dezer verordening, gepension- neerd zijn. Komt de tegenwoordige regeling in het algemeen overeen met die voor de burgerlijke landsdienaren, de vroegere regeling is die van de Europeesche militai- ren beneden den rang van officier van het Koninklijk Nederlandsch-Indische...”
3

“... doet omkomen. In veel sterkere mate kunnen bij pensionneeringen en verleeningen van ontslag zonder pen- sioen verwachting en werkelijkheid uiteenloopen. Het Gouvernement kan, gedwon- gen door economische of andere omstandigheden, velen den dienst doen verlaten, waarvan een verhoogde pensionneering het gevolg zal zijn. Dit zal van grooten in- vloed zijn op de financieele positie van het pensioenfonds. In andere tijden daarentegen zal het Gouvernement wellicht nieuwe krachten aanstellen boven het normale aantal, wat eveneens zij het ook minder ingrij,- pende gevolgen heeft. Van zeer belangrijken invloed op de pensioenen en dus op de positie van het fonds is een bezoldigingsverhooging of -verlaging. Een verhooging brengt mee, dat de nadien toegekende pensioenen verhoogd worden, ook van diegenen, die vlak voor hun pensionneering staan. Deze personen genieten dus hun geheele verdere leven een hooger pensioen dan het geval zou zijn geweest, wanneer de verhooging was uitgebleven...”
4

“... VIII van die balans gelijk- tijdig gepubliceerde sterftetafel voor weduwen gebezigd, echter met een leeftijds- verlaging van 2 jaar, daar de sterfte onder de Curagaosche weduwen aanmerkelijk kleiner was dan volgens de ongewijzigde tafel verwacht werd. De gebruikte sterftetafels zijn met de op 3 % berekende lijfrentefactoren op- genomen als staten III en IV. Voor de gepensionneerde vrouwelijke ambtenaren en onderwijzeressen is dezelfde tafel gebruikt als voor de weduwen. De sterfte van de weezen is verwaarloosd. § 29. Een activiteitstafel kon niet aan een ander fonds worden ontleend, daar de pensioenbepalingen elders anders zijn dan in Curagao....”
5

“...29 De opgestelde activiteitstafels, verschillend voor de mannen en voor de vrou- wen, zijn dus zooveel mogelijk aan de onvoldoende statistiek ontleend, maar bevat- ten onvermijdelijk een subjectief element. Voor de mannen zijn de statistieken van 1920 af gebruikt. Voor de vrouwen was het niet mogelijk statistieken van vr de oprichting van het fonds te gebrui- ken, omdat de oudere slechts gouvernementsambtenaren omvatten, die thans niet meer dan een vierde der vrouwelijke in dienst zijnde deelgenooten uitmaken (§ 21). De overige zijn leerkrachten bij het bijzonder onderwijs, die eerst in 1935 pensioengerechtigd zijn geworden. De activiteitstafels zijn hierachter opgenomen als de staten I en II. Hertrouwingskansen van de weduwen zijn verwaarloosd; zij zijp van weinig belang, daar er zoo goed als geen jonge weduwen zijn. In de laatste 10 jaren is geen enkel geval van hertrouwen bekend geworden. 2. Verhoogingsgetallen en andere gbezigde grootheden. § 30. Met ingang van 1...”
6

“...30 3. Rentevoet en waardeering der beleggingen. § 32. Hoewel op den balansdatum de in Nederland over het algemeen heerscheride rentevoet hooger was dan 3 %>, zijn de berekeningen naar dien rentevoet uitge- voerd, omdat sinds het einde van den oorlog in Nederland door het fonds slechts belegd kon worden tegen 3 % en in Curagao die rentevoet al gedurende den oorlog gold. § 33. De beleggingen zijn wiskundig gewaardeerd. Voor alle boven 3 #/o rentende obligaties en leeningen is gerekend, dat zij met ingang van den balansdatum tot 3 % zouden worden geconverteerd, indien boetebepalingen dit niet verhinderden. Een uitzondering is gemaakt voor de obligaties Nederlandsch-Indische Spoor, die met het oog op de onzekere toekomst tegen den laatsten beurskoers van 1944 in Amsterdam gewaardeerd zijn. De waarden van alle bezittingen en schulden in Nederland zijn in Curagao- sche guldens omgerekend door vermenigvuldiging met 0,71088. De hypotheken zijn behandeld, alsof zij alle na 2Va...”
7

“...32 lingen in de pensioenverordeningen opgenomen, deelgenooten zonder pensioenge- rechtigde betrekkingen dragen nooit voor weduwen- en weezenpensioen bij bij de berekeningen is er wel rekening mee gehouden, dat dit deel der deelgenooten nooit betrekkingen zullen hebben, die recht op weduwen- of weezenpensioen bezit- ten en dat de bepalingen inzake zulk pensioen en inzake de bijdragen daarvoor niet op hen van toepassing zullen zijn. Omdat de vrouwelijke ambtenaren en de onderwijzeressen in het algemeen bij huwelijk uit vasten dienst worden ontslagen, is er niet op gerekend, dat zij pen- sioengerechtigde kinderen krijgen kunnen. Wel is op lasten en baten gerekend voor 4 vrouwelijke deelgenooten, die reeds kinderen hebben (zie § 42). Hoewel p den balansdatum nog de bepaling van kracht was, dat het pen- sioen aan jongens slechts tot hun achttiende jaar werd uitgekeerd, is op grond van de terugwerkende kracht van de desbetreffende wijziging in P.B. 1945 No. 71 tot 1 Januari...”
8

“...33 Voor x is de werkelijke leeftijd van den man, voor y de verschoven leeftijd (zie § 28) van zijn vrouw genomen. Een nauwkeurige berekening van de pensioenlasten van de kinderen der deel- oenooten, die onder de pensioenverordening van 1899 vallen, zou zeer omslachtig zijn, omdat tijdelijke renten, ingaande na het overlijden van beide ouders, bepaald zouden moeten worden. In verband met de betrekkelijk geringe lasten dezer wee- zenpensioenen is een globale rekenwijze gevolgd en de overlevingsrente voor het weduwenpensioen vermenigvuldigd met een factor, afhankelijk van den leeftijd van het jongste kind. Immers tot diens meerderjarigheid moet het pensioen uitgekeerd worden. Zoo is bijv. met 1,020 vermenigvuldigd, indien het jongste kind 3, met 1,009, indien het 9 en met 1,001, indien het 15 jaar was. De last der weezenpensioenen voor de onder de verordening van 1938 vallende gepensionneerden kon echter zonder veel bezwaar wel met tijdelijke renten bij overlijden bepaald...”
9

“... bij de berekeningen de veronderstelling gemaakt, dat zij de verzekering in stand zullen houden. § 44. De lasten van de overige deelgenooten, die op den balansdatum in dienst wa- ren, zijn langs anderen weg bepaald. Er is uitgegaan van de veronderstelling, dat de burgerlijke staat, d.w.z. de gezinssituatie, van een deelgenoot bij zijn overlijden op .x-jarigen leeftijd gelijk zal zijn aan dien van een in leven zijnd deelgenoot, die nu x jaren oud is. Derhalve is van de levenden leeftijdsgewijs nagegaan, welk deel gehuwd was, welk gedeelte hiervan kindern had, hetzij uit het bestaande huwelijk, hetzij uit een vorig, wlk deel ongehuwd was met en welk deel zonder kinderen en tenslotte hoeveel kinderen er telkens waren met hun leeftijden. Uit deze gegevens is voor eiken leeftijd van den man berekend, hoe groot de con- tante waarde van de weduwen- en weezenpensioenen zou zijn, indien een deelgenoot overleed en zijn eventueele weduwe recht zou hebben op f 1, weduwenpensioen. Waren...”
10

“...38 zijnden, met inbegrip van de ongehuwden, doch zonder R. Katholieken, met de bij eiken leeftijd passende bijdragefactoren en telt deze producten op. Neemt men van de uitkomst 3%, dan heeft men de contante waarde van een bijdrage van 3% over pensioengrondslag en pensioen van de tot bijdrage verplichte deelgenooten. Op deze wijze is tevens rekening gehouden met de buitengewone bijdrage, welke men bij huwelijk verschuldigd is wegens diensttijd als ongehuwde, waarover nog niet was bijgedragen. Met het feit, dat deze bijdrage niet regelmatig, doch eerst na huwelijk be- taald wordt, is zoo geen rekening gehouden. De onnauwkeurigheid van deze ver- waarloozing is van geen beteekenis, vergeleken bij, de graad van nauwkeurigheid van andere veronderstellingen, bij voorbeeld bij, die van de keuze van het percen- tage 95 voor het gedeelte, dat niet altijd ongehuwd zal blijven. De contante waarde van de bijdragen dergenen, die 3% betalen is f 1 424 000. Samen met de in het begin van...”
11

“... der in Nederland betaal- bare pensioenen tot Curagaosch courant zal nog betaald en ontvangen worden. Deze nog te ontvangen subsidie is hierbij inbegrepen, indien genoemde subsidies in Cura- gaosche guldens uitgedrukt zijn. Het tekort zou gelijk gebleven zijn, indien boven den interest der effecten en de reglementaire bijdragen der deelgenooten was ontvangen: wegens rentederving . . 1 . . . ... ..............f 306 000 voor aanvulling der bijdragen voor eigen pensioen volgens de pen- sioenverordening (25,21 5) X 0.01 X 4 231 200 = . . . . 855 000 (Som der pensioengrondslagen is f 4 231 200) en tenslotte voor aanvulling der bijdragen voor weduwen- enweezen- pensioen over de daarvoor in aanmerking komende grondslagen en pensioenen.................................. . . . ............... 110 000 Op het geheele tekort is dus in 1945 ondanks de extra subsidie van f 1 000 000 slechts ca. f 750 000 ingeloopen. In de vorige jaren, toen niet dergelijke extra subsi- dies werden...”
12

“... allicht tot vroegere pensionneering leidt dan anders het geval zou zijn. Het is derhalve gewenscht een reserve te vormen boven het aangegeven kapi- taal. Men zou dit kunnen bereiken door het tekort aan te zuiveren, dat een weten- schappelijke balans vertoont, welke opgesteld is met een lager bijdragepercentage dan het benoodigde. Zooals boven uiteengezet is, is er in dat geval een grooter kapi- taal aanwezig dan in het geval een balans gebruikt was met het benoodigde bij- dragepercentage. Zoo ver is men echter bij het Algemeen Curagaosch Pensioenfonds nog lang niet. Allereerst moet het tekort, dat de balans volgens het aanspraak-dekkingstelsel vertoont, aangezuiverd worden. § 62. Het ligt voor de hand, dat deze aanzuivering geschiedt door betaling van een vaste jaarlijksche subsidie, welke over een bepaald aantal j aren wordt voortgezet. Deze moet zoodanig berekend worden, dat de contante waarde van de jaarlijksche uit- keeringen gelijk is aan het tekort, dat, zooals men heeft...”