Your search within this document for 'te' resulted in 34 matching pages.
 
1

“...Prof. Dr. M. VAN HAAFTEN. Amsterdam, 3 December 1946. Aan Zijne Excellentie den Minister van Overzeesche Gebiedsdeelen te s-G RAVENHAGE. Hierbij heb ik de eer ter kennis van Uwe Excellentie te brengen, dat ik mij met de Eerste Wetenschappelijke Balans van het Algemeen Curagaosch Pensioen- fonds, naar den toestand op 31 December 1944, samengesteld en toegelicht door Directeur en Wiskundige van de Indische Pensioenfondsen te s-Gravenhage, ge- heel kan vereenigen. De Wiskundige Adviseur van het Departement van Overzeesche Gebiedsdeelen, M. VAN HAAFTEN....”
2

“...8 § 3. Tot versterking van het fonds zijn in de artikelen 4 en 5 van het K.B. van 27 April 1936 bepalingen gemaakt omtrent voorloopig aan het fonds te verstrekken jaarlijksche uitkeeringen ten laste van de Curagaosche geldmiddelen. Art. 4 lid (1) schrijft een bedrag voor, tenminste gelijk aan de bijdragen der deelgenooten, art. 5 lid (3) een bedrag, gelijk aan de som der in een jaar uitbetaalde pensioenen, art. 4 lid (2) een bedrag, gelijk aan het batig saldo van de begrootings- rekening over een vorig dienstjaar. Het laatstgenoemde artikellid is echter inge- trokken bij K.B. van 24 December 1941 (Ned. Stbl. B 97, P.B. No. 162). Behalve deze middelen van gouvernementswege ontvangt het fonds van de deelgenooten bijdragen volgens de pensioenverordeningen (zie § 10). Ingevolge art. 6 van het oprichtingsbesluit zijn de gelden in het fonds gestort, welke reeds in de jaren 1930 t/m 1936 uit de bijdragen voor pensioen gereserveerd waren. § 4. Staat VII bevat een overzicht van...”
3

“...9 Aangezien nog vr het gereedkomen van deze balans is beslist, dat de uit- keeringen ten laste van het Fonds, ook buiten Curasao in Curagaosche guldens lui- den, terwijl eveneens de uitkeeringen ten laste der Curagaosche begrooting in die valuta zullen worden voldaan (zie P.B. 1946, No. 152), is de geheele balans bere- kend in Curagaosche guldens. De beleggingen in Nederland luiden in Nederlandsche guldens. De aangenomen waarde daarvan is daarom vermenigvuldigd met 7,60 : 10,fel = 0,71088. Volgens beslissing van den Ministerraad wordt de dispariteit tusschen Cura- gaoschen en Nederlandschen gulden geacht op 1 April 1945 te zijn ingegaan. Om- dat op de balans de pensioenlasten geheel in Curagaosch courant zijn uitgedrukt evenals de bezittingen van het fonds door de vermenigvuldiging van de waarde in Nederlandsche guldens met 0,71088, is er op gerekend, dat alle na balansdatum in Nederland betaalbare pensioenen in Curagaosche guldens voldaan zullen worden. Een uitzondering...”
4

“... van den man het weduwen- pensioen laag zou zijn, was de mogelijkheid geopend een verzekering te sluiten voor een weduwenpensioen naar een diensttijd van 20 jaren. Weezenpensioen werd alleen aan volle weezen uitgekeerd tot een bedrag, gelijk aan het weduwenpensi- oen, onafhankelijk van het aantal weezen. Thans echter zijn de pensioenen alleen afhankelijk van den pensioengrond- slag van den man. Hierom kon het instituut verzekering, zooals dat in de ver- ordeningen van 1868 en 1899 bestond, afgeschaft worden. Halve weezen krijgen nu afzonderlijk weezenpensioen, waarvan het bedrag een van het aantal kinderen af- hankelijk percentage van het weduwenpensioen is. Ook het pensioen voor de volle weezen hangt van hun aantal af. Het weezenpensioen wordt uitgekeerd tot meerderjarigheid of tot het beklee- den van een betrekking, waaraan wettelijkuitzicht op pensioen verbonden is. Bij pensioengrondslagen beneden 1.000 is het weduwenpensioen 35% van den grondslag (resp. middelsom voor...”
5

“...12 een gewone, boekhoudkundige balans. De in normalen tijd jaarlijks gepubliceerde verslagen van het fonds bevatten balansen van de laatstgenoemde soort. Hierin vindt men eenerzijds de bezittingen aan effecten, hypothecaire vorderingen, kas- geld, de verplichtingen van debiteuren aan het fonds, enz., anderzijds de schulden van het fonds aan de crediteuren. Zij sluiten met den post kapitaal. Dit kapitaal moet het doel van het fonds, de financiering van de pensioenen, mogelijk maken. Het is nu door het opstellen van een wetenschappelijke balans, dat men kan overzien, of het kapitaal daartoe in staat is of niet. De weten- schappelijke balans geeft aan, hoe groot de toekomstige pensioenver- plichtingen en de toekomstige vorderingen, die het fonds in den vorm van verplichte bijdragen heeft, zijn. Het fonds heeft de plicht, in de toekomst pensioen te betalen aan reeds gepensionneerden, zoolang zij in leven zijn, nog in dienst zijnden, nadat hun pensioen zal zijp toegekend...”
6

“...13 kleine aantallen toch aan dien eisch tegemoet te komen, voegt men de waarnemin- gen over verscheidene j aren samen. Voor eiken in aanmerking komenden leeftijd worden bedoelde kansen be- paald op grond van de verzamelde statistieken, waarbij overwegingen kunnen ko- men omtrent factoren, die het verloop in de naaste toekomst zullen benvloeden. Daarna worden zij vereenigd in zg. sterftetafels en activiteitstafels, welke men dik- wijls als bijlagen bij wetenschappelijke balansen afgedrukt vindt. Het gebruik dezer tafels vereischt eenige kennis van verzekeringswiskunde (zie § 18). Het salarisver loop wordt weergegeven in eveneens leeftijdsgewijze analoog bepaalde verhoogingsgetallen. Naast de genoemde grootheden worden nog eenige andere bij de berekeningen gebruikt, waarvan hier nog vermeld worden de verhouding, die bij pensionneering het pensioen tot den pensioengrondslag heeft en de kans op gehuwd zijn, ook weer voor eiken leeftijd. * §16. Rentevoet. Een factor van...”
7

“...14 betaald gedurende den diensttijd en bedragen een percentage van den pensioen- grondslag; derhalve beschouwt men als contante waarde van deze bijdragen het ge- lijke percentage van de contante waarde van de toekomstige grondslagen, wat prac- tisch neerkomt op de contante waarde van de gedurende actieven dienst te genieten bezoldigingen. Ook van de bijdragen voor weduwen- en weezenpensioen, die zoowel vr als na de pensionneering betaald worden in het tweede geval als een percentage van het pensioen in plaats van van den pensioengrondslag kan de contante waarde op grond van den aangenomen rentevoet en de aangenomen tafels en grootheden berekend worden. § 18. Het zou te ver voeren hier uiteen te zetten, op welke wijze men, uitgaande van de statistieken, tenslotte geraakt tot de contante waarden van de onderschei- den grootheden. *) Het technische gedeelte van dezen tekst (Hoofdstuk IV) bevat nadere uiteen- zettingen omtrent het statistisch materiaal, dat gediend heeft...”
8

“...15 De wetenschappelijke balans sluit, als het kapitaal op de boekhoudkundige balans niet kleiner is dan dit verschil der contante waarden. De uitkomsten voor het Algemeen Curagaosch Pensioenfonds naar den toe- stand van 31 December 1944 zijn in Hoofdstuk V behandeld. § 19. Benoodigd bijdragepercentage. In het voorgaande is nog niet afgeleid, op welke wijze men bepaalt, hoe groot de bijdragen moeten zijn om de pensioenlasten geheel te dekken. Uit de statistieken is af te lezen, hoeveel nieuwe deelgenooten gemiddeld per jaar in het fonds opgenomen worden, op welken leeftijd zij toetreden en op welke bedragen de pensioengrondslagen (= bezoldigingen) bij die toetredingen worden vast ^esteld. Van deze nieuw toetredenden legt men de bij de opneming in het fonds genoten bezoldigingen vast en berekent vervolgens de contante waarden, zoowel van het toekomstig pensioen als van de tijdens actieven dienst te genieten bezoldi- gingen door vermenigvuldiging in beide gevallen van de...”
9

“...16 zwaarder, zonder dat daartegenover naar evenredigheid baten staan. Slechts voor de juist toegetredenen maakt de bezoldigingsverhooging geen verschil, immers de las- ten van hun hoogere pensioenen worden gecompenseerd door hun hoogere bijdragen. Op dezelfde wijze is een bezoldigingsverlaging een voordeel voor het fonds, daar personen, die kort na de verlaging gepensionneerd worden een lager pensioen krijgen dan waarvoor zij steeds bijgedragen hebben. Met het oog op al deze gebeurlijkheden is het noodzakelijk geregeld nieuwe wetenschappelijke balansen op te maken, wat dan ook, zooals in § 2 is gezegd, om de vijf jaar plaats moet vinden....”
10

“...25 III. DE VERPLICHTINGEN EN DE VORDERINGEN VAN HET ALGEMEEN CURAgAOSCH PENSIOENFONDS § 25. De voornaamste verplichtingen van het Algemeen Cura§aosch Pensioenfonds zijn: a. loopende eigen en weduwenpensioenen. Door vermenigvuldiging van het totaalbedrag per ja ar met de contante waarde (c.w.) van de eenheid daarvan vindt men het kapitaal, noodig om deze pen- sioenen tot den dood der gerechtigden uit te betalen. (De loopende weezenpensioe- nen zijp in § 26 genoemd.) b. toekomstige eigen pensioenen, uit te keeren na pen- sion n e e r i n g. Reeds is in § 18 uiteengezet, dat de c.w. van deze pensioenen per eenheid van pensioengrondslag bepaald worden. Door deze bedragen te vermenigvuldigen met de sommen der pensioengrondslagen van eiken leeftijd en deze uitkomsten op te tellen, krijgt men de c.w. der toekomstige pensioenen. c. toekomstige weduwen- en weezenpensioenen, toe te kennen na overlijden van de deelgenooten, die op den balansdatum in dienst zijn. Dit overlijden...”
11

“...26 over den pensioengrondslag en na pensionneering over het pensioen te voldoen, zoolang de deelgenoot pensioengerechtigde betrekkingen heeft. Berekend zijn de contante waarden, met inachtneming van het feit dat slechts een deel der deelgenooten gehuwd is, door vermenigvuldiging van 3 % der pen- sioengrondslagen op den balansdatum, met de contante waarde van de in de toe- komst als gehuwde te genieten pensioengrondslagen en pensioenen, uitgedrukt in de eenheid van in het heden genoten grondslag, wederom leeftijdsgewijs. Deze be- dragen worden daarna opgeteld. c. b ij dragen voor weduwen- en weezenpensioen van reeds gepensionneerde deelgenooten. De c.w. hiervan is bepaald als product van 3 %, c.q. 2 % van het pensioen en de contante waarde van een z.g. verbindingsrente, d.w.z. van een jaarlijksche betaling van de eenheid gedurende den tijd, dat zoowel man als vrouw in leven zijn. § 26. Behalve deze posten komen op de balans voor: 1. De c.w. der beheerskosten. De...”
12

“...27 voor politiemilitairen van 1939 openen de mogelijkheid deze buitengewone bijdra- gen in termijnen te voldoen. Bovendien waren op den balansdatum nog niet alle rentelooze voorschotten, verleend op grond van art. 19 der Pensioenverordening van 1899, volledig gerestitueerd. Derhalve is de c.w. van deze nog openstaande vorderingen voor elk geval af- zonderlijk berekend. Het totaal is als aparte post op de wetenschappelijke balans vermeld....”
13

“...28 IV. TECHNISCH GEDEELTE. 1. Sterfte- en andere tafels. § 27. Uit de getallen, voorkomende in de §§ 23 en 24 omtrent het verloop van de in dienst zijnde en gepensionneerde deelgenooten, is te zien, dat de waargenomen frequenties van pensionneering, sterfte enz. in de verschillende kalenderjaren sterk schommelen. Hoe het verloop in de toekomst zal zijn, is daaruit dus slechts met een groote mate van onzekerheid af te leiden. De aantallen waarnemingen zijn bovendien klein, zelfs heel klein, als men de verschillende leeftijdsgroepen afzonderlijk beschouwt. Om het materiaal wat te vergrooten is ook de statistiek in beschouwing ge- nomen, die van de Curagaosche landsdienaren over de jaren vr de oprichting van het fonds van 1910 af is opgesteld, al is die statistiek dan ook niet volledig en door zijn ouderdom minder bruikbaar. § 28. Inzonderheid voor de bepaling van de sterfte zijn de gegevens te schaarsch. Daarom is omgezien naar een bestaande sterftetafel, die een sterfte...”
14

“...29 De opgestelde activiteitstafels, verschillend voor de mannen en voor de vrou- wen, zijn dus zooveel mogelijk aan de onvoldoende statistiek ontleend, maar bevat- ten onvermijdelijk een subjectief element. Voor de mannen zijn de statistieken van 1920 af gebruikt. Voor de vrouwen was het niet mogelijk statistieken van vr de oprichting van het fonds te gebrui- ken, omdat de oudere slechts gouvernementsambtenaren omvatten, die thans niet meer dan een vierde der vrouwelijke in dienst zijnde deelgenooten uitmaken (§ 21). De overige zijn leerkrachten bij het bijzonder onderwijs, die eerst in 1935 pensioengerechtigd zijn geworden. De activiteitstafels zijn hierachter opgenomen als de staten I en II. Hertrouwingskansen van de weduwen zijn verwaarloosd; zij zijp van weinig belang, daar er zoo goed als geen jonge weduwen zijn. In de laatste 10 jaren is geen enkel geval van hertrouwen bekend geworden. 2. Verhoogingsgetallen en andere gbezigde grootheden. § 30. Met ingang van 1...”
15

“... jaar afgelost worden. Zij, worden n.1. in den regel voor 5 jaar gesloten. § 34. Een samenvatting van de beleggingen van het fonds in Nederland is opgeno- men in staat VI. De volledige specificatie is te vinden in het verslag omtrent het Algemeen Curagaosch Pensioenfonds over het jaar 1944, Bijlage VI. In Curasao was f 74 300 belegd in de door Curasao uitgeschreven 3 /o obli- gatielening. Welk deel van de inschrijving op de in 1943 in Suriname uitgegeven leening voor rekening van het Algemeen Curagaosch Pensioenfonds zou komen, was bij het opstellen van de wetenschappelijke balans nog niet bekend. 4. Berekeningen voor het eigen pensioen. § 35. De contante waarde van de loopende pensioenen is gevonden met behulp van de lijfrentefactoren ax _j_ 1/ 3/8, berekend met de in § 28 genoemde sterftetafels. De breuk s/s wordt van ax _j_ u afgetrokken op grond van de prae-nume- rando betaling per maand en de uitkeering van n maand extra pensioen na de maand van overlijden. Er waren...”
16

“...31 mannelijke zoowel als vrouwelijke deelgenooten is berekend door vermenigvuldi- ging van de pensioengrondslagen met de pensioenfactoren 2 v V X + 1 (a + 'l>VxGx + l ( x + 1 r- 3/s) X 1 V2 \r 1 V* + 'k x + 'k Hierin is v = ,-qj (§ 32). De grootheden pa en la komen voor in de activiteitstafels (§ 29). V is het verhoogingsgetal (§ 30). P : G stelt de verhouding voor van pensioen tot middelsom der pensioen- grondslagen op het tijdstip van pensionneering (§ 31). a 3/8 is de lijfrentefactor voor de gepensionneerden. Door in den teller van de formule het verhoogingsgetal voor den leeftijd x en niet dat voor den leeftijd x. + 1 te nemen, wordt in rekening gebracht, dat over het algemeen de middelsom voor de berekening van het pensioen het gemid- delde is van de grondslagen in de twee afgeloopen jaren, zoodat de verhouding van middelsom tot grondslag vrijwel gelijk is aanV^ ; Vx+\: Op den balansdatum waren 814 mannelijke deelgenooten in dienst met teza- men f 3 668...”
17

“..., waarin w = v1/12 n n 12 12 o Op deze wijze kon er rekening mee worden gehouden, dat het pensioen be- taald wordt tot en met de maand, waarin de 21ste verjaardag valt. Er waren in het geheel 36 weezen, volle en halve weezen tezamen genomen, met f 5 976 pensioen, waarvan de contante waarde f 40 000 bedraagt. § 40. De toekomstige pensioenen aan weduwen en weezen, na te laten door reeds gepensionneerde deelgenooten. Voor ieder van de op den balansdatum gehuwde deelgenooten is uitgerekend, hoe groot het weduwenpensioen volgens de bepalingen van de voor hem geldende pensioenverordening, met inachtneming van een eventueel door hem gesloten ver- zekering, zal zijn, dat bij zijn dood toegekend zal worden, indien hij een weduwe na- laat. De contante waarde van de toekomstige weduwenpensioenen is vervolgens berekend door de gevonden bedragen te vermenigvuldigen met de waarde van overlevingsrenten ay + y + i/2 + 1/48 % *) De term V8 is een ruwe benadering voor de waarde van een...”
18

“... vrouwen, waar- mee de gepensionneerde politiemilitairen zullen huwen. Volgens de Nederlandsch- Indische regeling geven na pensionneering gesloten huwelijken pensioenrechten, indien een onderofficier het sluit vr zijp 65-sten verjaardag en een militair bene- den dien rang, zoolang hij nog pensioengerechtigde kinderen heeft. De contante waarde daarvan is op f 10 000 geschat. § 42. Afzonderlijke berekeningen met tijdelijke renten bij overlijden zijn uitge- voerd voor de toekomstige pensioenlasten der kinderen van 18 weduwen, gepension- neerd volgens de verordening van 1899 (§ 9), van 4 gepensionneerde, niet (meer) gehuwde mannelijke deelgenooten en van de 4 in § 38 reeds genoemde vrouwelijke deelgenooten. De contante waarden bedragen resp. f 3 800, f 1 100 en f 1 500, dus tezamen rond f 6 000. § 43. De toekomstige pensioenen aan weduwen en weezen, na te laten door nog in dienst zijnde deelgenooten. Hierbij worden in de eerste plaats de ambtenaren besproken, op wie de pen...”
19

“... kinderen beneden 21 jaar met de in § 40 genoemde factoren vermenigvuldigd. Dezelfde rekenwijze is toegepast op diegenen van de onder de verordening van 1938 vallende actieven, die een volgens de verordening van 1899 mogelijke ver- zekering van weduwenpensioen gesloten hadden en deze na het in werking treden van de nieuwe verordening (1938) in stand hebben gehouden. In deze gevallen wordt het eventueel toe te kennen weduwen- en weezenpensioen vastgesteld vol- gens den grondslag, waarnaar verzekerd is en niet naar dien, welke het laatst be- reikt is, of dien, waarnaar het eigen pensioen is berekend. Zoolang de betrokkenen de verzekering in stand houden, verandert het wedu- wenpe'nsioen niet. Zij kunnen echter bij, bezoldigingsverhooging te kennen geven, dat zij voor hun weduwen en weezen pensioen volgens de bepalingen van art. 56 der pensioenverordening 1938 willen verwerven, waardoor de verzekering vervalt. Omdat het niet zeker is f, en zoo ja, wanneer zij dit zullen doen, is er...”
20

“...35 Het product van deze grootheden en de verhouding van weduwenpensioen tot pensioengrondslag is Wx genoemd. Hieronder volgen eenige waarden van genoemde grootheden. Leeftijd in. volle jaren X (1) Leeftijds- verschil xy (2) Gehuwd deel + 1 (3) Wed. pens. Grondslag (4) a 11 y 24 (5) C.W., las- ten wee- zenpens. p. gehuwde p. f 1. wed. pensioen (6) Lasten p . eenheid van wed. pensioen U5) + (6)) ( X (3) \ (7) van grondslag (7) X (4) W ... X + V* (8) 30 2Vs 0,73 0,310 22,910 2,60 18,62 5,77 40 3V2 0,87 0,290 20,931 3,40 21,17 6,13 50 5 0,90 0,275 18,389 2,60 18,89 5,18 60 5V2 0,90 0,267 14,955 1,50 14,81 3,95 De pensioenfactor f a , x -\ j. waarmede de pensioengrondslagen van de x- jari- gen vermenigvuldigd moeten worden om de contante waarde der lasten te vinden, bestaat uit twee deelen. In het eerste stuk komen de lasten tot uitdrukking, die ont- staan bij overlijden in dienst, in het tweede die, welke ontstaan bij overlijden na pensionneering. De pensioenfactor...”