| 1 |
 |
“...EERSTE WETENSCHAPPELIJKE BALANS VAN HET ALGEMEEN
CURAgAOSCH PENSIOENFONDS NAAR DEN TOESTAND OP
31 DECEMBER 1944
I. INLEIDING.
§ 1. De toelichtende tekst van de Wetenschappelijke Balans is verdeeld over een
zestal hoofdstukken, waarvan deze inleiding het eerste vormt en waarin vervolgens
behandeling vinden:
II. De Statistische gegevens,
III. De verplichtingen en vorderingen van het Algemeen Curagaosch Pensioen-
fonds,
IV. Technische gedeelte,
V. De Wetenschappelijke Balans,
VI. Slotopmerkingen.
Hij is vergezeld van een negental staten, genummerd I t/m IX.
Dit hoofdstuk bevat in de eerste plaats een historisch overzicht met betrek-
king tot het fonds, vervolgens een bespreking van de pensioenregelingen, terwijl
tenslotte een algemeene uiteenzetting wordt gegeven omtrent aard, opzet en be-
teekenis eener wetenschappelijke balans van een overheidspensioenfonds.
1. Historisch overzicht.
§ 2. Bij Koninklijk Besluit van 27 April 1936 (Ned. Stbl. No. 941, Publicatieblad...”
|
|
| 2 |
 |
“...8
§ 3. Tot versterking van het fonds zijn in de artikelen 4 en 5 van het K.B. van
27 April 1936 bepalingen gemaakt omtrent voorloopig aan het fonds te verstrekken
jaarlijksche uitkeeringen ten laste van de Curagaosche geldmiddelen.
Art. 4 lid (1) schrijft een bedrag voor, tenminste gelijk aan de bijdragen der
deelgenooten, art. 5 lid (3) een bedrag, gelijk aan de som der in een jaar uitbetaalde
pensioenen, art. 4 lid (2) een bedrag, gelijk aan het batig saldo van de begrootings-
rekening over een vorig dienstjaar. Het laatstgenoemde artikellid is echter inge-
trokken bij K.B. van 24 December 1941 (Ned. Stbl. B 97, P.B. No. 162).
Behalve deze middelen van gouvernementswege ontvangt het fonds van de
deelgenooten bijdragen volgens de pensioenverordeningen (zie § 10).
Ingevolge art. 6 van het oprichtingsbesluit zijn de gelden in het fonds gestort,
welke reeds in de jaren 1930 t/m 1936 uit de bijdragen voor pensioen gereserveerd
waren.
§ 4. Staat VII bevat een overzicht van...”
|
|
| 3 |
 |
“...9
Aangezien nog vr het gereedkomen van deze balans is beslist, dat de uit-
keeringen ten laste van het Fonds, ook buiten Curasao in Curagaosche guldens lui-
den, terwijl eveneens de uitkeeringen ten laste der Curagaosche begrooting in die
valuta zullen worden voldaan (zie P.B. 1946, No. 152), is de geheele balans bere-
kend in Curagaosche guldens. De beleggingen in Nederland luiden in Nederlandsche
guldens. De aangenomen waarde daarvan is daarom vermenigvuldigd met 7,60 :
10,fel = 0,71088.
Volgens beslissing van den Ministerraad wordt de dispariteit tusschen Cura-
gaoschen en Nederlandschen gulden geacht op 1 April 1945 te zijn ingegaan. Om-
dat op de balans de pensioenlasten geheel in Curagaosch courant zijn uitgedrukt
evenals de bezittingen van het fonds door de vermenigvuldiging van de waarde in
Nederlandsche guldens met 0,71088, is er op gerekend, dat alle na balansdatum in
Nederland betaalbare pensioenen in Curagaosche guldens voldaan zullen worden.
Een uitzondering...”
|
|
| 4 |
 |
“...10
De pensioenverordening voor onderwijzers bij, het gesubsidieerd bijzonder on-
derwijs is vervat in P.B. 1937 No. 130 en gelijk aan die van de ambtenaren; die
voor de Curagaosche politiemilitairen in P.B. 1939 No. 22, na balansdatum gewijzigd
bij P.B. 1945 No. 67 en 68, nadat een voorloopige regeling getroffen was in P.B. 1938
No. 7, gewijzigd bij P.B. 1938 No. 34. De wijziging bij P.B. 1945 No. 67 bezit terug-
werkende kracht tot 1 Juli 1943, den datum van ingang van de nieuwe bezoldigings-
regeling.
De voorloopige regeling is behouden voor de weduwen en weezen van hen,
die in of na 1931 bij de militaire politietroepen dienst hebben gedaan, doch vr
1 Januari 1939, den datum van de inwerkingtreding dezer verordening, gepension-
neerd zijn.
Komt de tegenwoordige regeling in het algemeen overeen met die voor de
burgerlijke landsdienaren, de vroegere regeling is die van de Europeesche militai-
ren beneden den rang van officier van het Koninklijk Nederlandsch-Indische...”
|
|
| 5 |
 |
“... pensioengrondslag ten behoeve van het eigen pensioen 5% betaald worden.
Bij het verkrijgen van pensioengerechtigde betrekkingen is voor weduwen-
en weezenpensioen 3% op gelijksoortige wijze over allen vroegeren dienst ver-
schuldigd.
Bij een huwelijk met een meer dan vier jaar jongere vrouw wordt nog een
extra bijdrage geischt.
§ 11. Op 1 Juli 1943 is een nieuwe bezoldigingsregeling ingevoerd, die een aan-
zienlijke verhooging, van 25 tot 30%, van de bezoldigingen met zich mee bracht.
Doordat de pensioenen en de bijdragen voor pensioen afhankelijk zijn van de bezol-
diging, werden de baten en de lasten van het pensioenfonds grooter, echter de las-
ten meer dan de baten.
Evenals vr deze wijziging zijn de bezoldigingen voor gehuwden hooger
dan voor ongehuwden.
§ 12. Sinds 1 Januari 1942 worden, in overeenstemming met den gewijzigden
levensstandaard, in Curagao op de pensioenen en op de bezoldigingen tijdelijke
duurtetoeslagen toegekend (P.B. 1942, No. 146 en 195). De op den balansdatum...”
|
|
| 6 |
 |
“... van de brigadiers en soldaten zijn gesteld op de bedragen,
die op grond van de wijziging der Pensioenverordening Politiemilitairen 1939 bij P.B. 1945
No. 67 vastgesteld zijn met terugwerkende kracht tot 1 Juli 1943....”
|
|
| 7 |
 |
“...32
lingen in de pensioenverordeningen opgenomen, deelgenooten zonder pensioenge-
rechtigde betrekkingen dragen nooit voor weduwen- en weezenpensioen bij bij
de berekeningen is er wel rekening mee gehouden, dat dit deel der deelgenooten
nooit betrekkingen zullen hebben, die recht op weduwen- of weezenpensioen bezit-
ten en dat de bepalingen inzake zulk pensioen en inzake de bijdragen daarvoor
niet op hen van toepassing zullen zijn.
Omdat de vrouwelijke ambtenaren en de onderwijzeressen in het algemeen bij
huwelijk uit vasten dienst worden ontslagen, is er niet op gerekend, dat zij pen-
sioengerechtigde kinderen krijgen kunnen. Wel is op lasten en baten gerekend voor
4 vrouwelijke deelgenooten, die reeds kinderen hebben (zie § 42).
Hoewel p den balansdatum nog de bepaling van kracht was, dat het pen-
sioen aan jongens slechts tot hun achttiende jaar werd uitgekeerd, is op grond van
de terugwerkende kracht van de desbetreffende wijziging in P.B. 1945 No. 71 tot
1 Januari...”
|
|
| 8 |
 |
“...VI. SLOTOPMERKINGEN
§65. Duurtetoeslagen.
De in den oorlog gegeven duurtetoeslagen op pensioen en bezoldiging zijn in
het voorgaande niet in de berekeningen opgenomen om het tijdelijk karakter, dat zij
dragen. Die op pensioen worden weliswaar tegelijk met de pensioenen betaald, doch
komen rechtstreeks ten laste van het Gouvernement.
Zou men de duurtetoeslagen als blijvend willen zien en als zoodanig in de
wetenschappelijke balans opnemen, dan zou het beeld nog veel ongunstiger worden,
omdat de toeslagen op de pensioenen percentsgewijs hooger zijn dan die op de be-
zoldigingen.
Voor de mannelijke ambtenaren bedragen deze percentages resp. 42 en 29; de
duurtetoeslagen op de eigen pensioenen der vrouwen zijn gemiddeld 50 /o, die op de
weduwen- en weezenpensioenen gemiddeld 53 %. De bezoldigingen zijn dus veel
minder verhoogd dan de pensioenen. Bij. de berekeningen is uitgegaan van de rege-
lingen van P.B. 1945, No. 178 voor de duurtetoeslagen op bezoldiging, ingegaan 1...”
|
|
| 9 |
 |
“... 673
Saldo nog te betalen wegens gebruikmaking
van art. 2 P.B. 1945 no. 71 3 724
Passiva in Nederl. courant 129 360 = 91 959
Tezamen schulden 148 102 f 148 000
74 300 Contante waarde loopende eigen pensioenen
mannelijke ambtenaren 3 461 000
Gepensionneerde politie-militairen .... 37 000
15 376 In actieven dienst zijnde politie-militairen . 5 000
1 122 781 Vrouwelijke ambtenaren 609 000 4 112 000
Contante waarde looppnde weduwen- en wee-
659 972 zenpensioenen
weduwen 1 494 000
weezen 40 000 1 534 000
77 418
Contante waarde toekomstige eigen pensioenen
mannelijke deelgenooten 17 764 000
15 312 vrouwelijke deelgenooten 2 465 000 20 229 000
I Contante waarde van pensioenen aan :
3 528 744 weduwen en weezen na te laten door gehuwde
5 884 002 f 5 884 000 gepensionneerde ambtenaren t 786 000
idem door gepensionneerde politie-militairen 107 000
2 241 000...”
|
|