Your search within this document for 'na,man' resulted in 22 matching pages.
 
1

“...9 Aangezien nog vr het gereedkomen van deze balans is beslist, dat de uit- keeringen ten laste van het Fonds, ook buiten Curasao in Curagaosche guldens lui- den, terwijl eveneens de uitkeeringen ten laste der Curagaosche begrooting in die valuta zullen worden voldaan (zie P.B. 1946, No. 152), is de geheele balans bere- kend in Curagaosche guldens. De beleggingen in Nederland luiden in Nederlandsche guldens. De aangenomen waarde daarvan is daarom vermenigvuldigd met 7,60 : 10,fel = 0,71088. Volgens beslissing van den Ministerraad wordt de dispariteit tusschen Cura- gaoschen en Nederlandschen gulden geacht op 1 April 1945 te zijn ingegaan. Om- dat op de balans de pensioenlasten geheel in Curagaosch courant zijn uitgedrukt evenals de bezittingen van het fonds door de vermenigvuldiging van de waarde in Nederlandsche guldens met 0,71088, is er op gerekend, dat alle na balansdatum in Nederland betaalbare pensioenen in Curagaosche guldens voldaan zullen worden. Een uitzondering...”
2

“... Leger (art. 43 van de pensioenverordening voor politiemilitairen 1939). § 8. Over het algemeen hebben de deelgenooten recht op pensioen na het berei- ken van een leeftijd van 50 jaren en een diensttijd van 20 jaren. Het pensioen bedraagt na 20 dienstjaren de helft van de middelsom van de pensioengrondslagen gedurende de laatste twee jaren, na een korteren diensttijd een evenredig deel daarvan, terwijl na meer dienstjaren het pensioen stijgt met V30 deel van die halve middelsom per jaar, totdat, na 30 dienstjaren in totaal, het maxi- mum wordt bereikt, zijnde 2/s van de middelsom. Bovendien is er een absoluut maximum-pensioen vastgesteld, dat thans 5.000 per jaar bedraagt (vroeger 4.500). § 9. De weduwen- en weezenpensioenen zijn in de verordening van 1938 geheel anders geregeld dan in de oudere verordeningen. Volgens de laatste bedraagt het weduwenpensioen de helft van het eigen pensioen, waarop de man recht zou hebben of dat hij genoot. Omdat in geval van jong overlijden...”
3

“..., reeds aanwezige weduwen en weezen, de door de thans nog levende deelgenooten, actieven en gepensionneerden, eventueel na te laten weduwen en weezen. Terwijl de verplichtingen en rechten van de debiteuren en crediteuren, ver- meld in de boekhoudkundige balansen, op den datum van de balans als regel opeisch- baar zijn, vervallen de zoojuist genoemde pensioenen op een lateren datum, ja zelfs is het op den balansdatum van een afzonderlijken pensioentermijn nog niet zeker, of hij ooit vervallen zal. Toch is het niet juist deze verplichtingen daarom te negeeren. Er is immers een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, dat aan een deel der op den balans- datum aanwezige deelgenooten pensioen zal moeten worden betaald. Het is daarom noodig te weten, hoe groot die schuld is en het is de taak van den wiskundige haar omvang te berekenen. § 14. De loopende pensioenbetalingen zijn afhankelijk van het al dan niet in leven zijn der gepensionneerden. Na overlijden worden nieuwe weduwen...”
4

“...14 betaald gedurende den diensttijd en bedragen een percentage van den pensioen- grondslag; derhalve beschouwt men als contante waarde van deze bijdragen het ge- lijke percentage van de contante waarde van de toekomstige grondslagen, wat prac- tisch neerkomt op de contante waarde van de gedurende actieven dienst te genieten bezoldigingen. Ook van de bijdragen voor weduwen- en weezenpensioen, die zoowel vr als na de pensionneering betaald worden in het tweede geval als een percentage van het pensioen in plaats van van den pensioengrondslag kan de contante waarde op grond van den aangenomen rentevoet en de aangenomen tafels en grootheden berekend worden. § 18. Het zou te ver voeren hier uiteen te zetten, op welke wijze men, uitgaande van de statistieken, tenslotte geraakt tot de contante waarden van de onderschei- den grootheden. *) Het technische gedeelte van dezen tekst (Hoofdstuk IV) bevat nadere uiteen- zettingen omtrent het statistisch materiaal, dat gediend heeft...”
5

“...16 zwaarder, zonder dat daartegenover naar evenredigheid baten staan. Slechts voor de juist toegetredenen maakt de bezoldigingsverhooging geen verschil, immers de las- ten van hun hoogere pensioenen worden gecompenseerd door hun hoogere bijdragen. Op dezelfde wijze is een bezoldigingsverlaging een voordeel voor het fonds, daar personen, die kort na de verlaging gepensionneerd worden een lager pensioen krijgen dan waarvoor zij steeds bijgedragen hebben. Met het oog op al deze gebeurlijkheden is het noodzakelijk geregeld nieuwe wetenschappelijke balansen op te maken, wat dan ook, zooals in § 2 is gezegd, om de vijf jaar plaats moet vinden....”
6

“... kan in dienst plaats vinden of later, na pensionneering. De c.w. dezer pensioenen wordt op gelijke wijze gevonden als die der eigen pensioenen, waarbij, in den factor, die de c.w. per eenheid van pensioengrondslag uitdrukt, reeds rekening is gehouden met al dan niet gehuwd zijn. d. toekomstige weduwen- en weezenpensioenen, toe te kennen na overlijden van op den balansdatum reeds gepensionneerden. De c.w. dezer pensioenen is gevonden door vermenigvuldiging van de indi- vidueel berekende bedragen der eventueel toe te kennen weduwenpensioenen met de waarde van een lijfrente op het leven van de vrouw, ingaande na den dood van haar man (overlevingsrente). De vorderingen ten opzichte van de deelgenooten bestaan uit: a. b ij dragen voor eigenpensioen gedurende actieven dienst. De c.w. daarvan wordt gevonden door vermenigvuldiging leeftijdsgewijs van de som der pensioengrondslagen met de c.w. der 5/o bijdragen per eenheid van grondslag (zie § 18). b. b ij, dragen voor weduwen...”
7

“...26 over den pensioengrondslag en na pensionneering over het pensioen te voldoen, zoolang de deelgenoot pensioengerechtigde betrekkingen heeft. Berekend zijn de contante waarden, met inachtneming van het feit dat slechts een deel der deelgenooten gehuwd is, door vermenigvuldiging van 3 % der pen- sioengrondslagen op den balansdatum, met de contante waarde van de in de toe- komst als gehuwde te genieten pensioengrondslagen en pensioenen, uitgedrukt in de eenheid van in het heden genoten grondslag, wederom leeftijdsgewijs. Deze be- dragen worden daarna opgeteld. c. b ij dragen voor weduwen- en weezenpensioen van reeds gepensionneerde deelgenooten. De c.w. hiervan is bepaald als product van 3 %, c.q. 2 % van het pensioen en de contante waarde van een z.g. verbindingsrente, d.w.z. van een jaarlijksche betaling van de eenheid gedurende den tijd, dat zoowel man als vrouw in leven zijn. § 26. Behalve deze posten komen op de balans voor: 1. De c.w. der beheerskosten. De...”
8

“... aanwijst, die vrijwel met de bij de Curagaosche deelgenooten waargenomen sterfte overeenkomt. Voor de gepensionneerde mannelijke deelgenooten is de sterftetafel gekozen, afgeleid uit de waarnemingen van de Europeesche burgerlijke landsdienaren in Nederlandsch-Indi over de jaren 1920 tot en met 1934, welke tafel als staat VII is opgenomen bij de derde wetenschappelijke balans van het Eigen-pensioenfonds voor de Europeesche burgerlijke ambtenaren in Nederlandsch-Indi naar den toestand op 31 December 1934. De in de jaren 1937 t/m 1944 waargenomen sterfte is wat grooter dan volgens deze tafel verwacht,zou worden. Dit is geen bezwaar, zelfs wenschelijk om twee redenen. De sterfte kan, zooals in het algemeen het geval is, met den loop der tijden af nemen en, zooals ook in het algemeen het geval is, onder de gepension- neerden met hooge pensioenen lager zijn dan onder die met lage, zoodat de sterfte per gulden lager is dan die per man. Voor de gepensionneerde weduwen is de als staat...”
9

“... Juli 1943 zijn de bezoldigingen aanmerkelijk verhoogd. Om na te gaan, hoe de bezoldigingen bij, ongewijzigde bezoldigingsregeling gedurende den loop van den diensttijd zullen stijgen, zijn van de deelgenooten mannen en vrouwen afzonderlijk , die van 1 Juli 1943 tot het einde van 1944 onafgebroken in dienst zijn geweest, de bezoldigingen vergeleken op de tijdstippen 1 Juli 1943, 31 December 1943 en 31 December 1944. Daaruit zijp de verhoogingsgetallen der bezoldigingen afgeleid. Deze zijn als laatste kolom toegevoegd aan de activiteitstafels. Bij de mannen is een sterker verhooging in bezoldiging waargenomen dan bij de vrouwen, waarschijnlijk voornamelijk toe te schrijven aan de vermeerdering in bezoldiging bij, huwelijk. § 31. Voor de berekeningen van de lasten aan toekomstig eigen pensioen is het noodig vast te stellen, hoe groot voor eiken leeftijd van pensionneering de verhou- ding is van het verleende pensioen tot de middelsom der pensioengrondslagen, die tot de...”
10

“...30 3. Rentevoet en waardeering der beleggingen. § 32. Hoewel op den balansdatum de in Nederland over het algemeen heerscheride rentevoet hooger was dan 3 %>, zijn de berekeningen naar dien rentevoet uitge- voerd, omdat sinds het einde van den oorlog in Nederland door het fonds slechts belegd kon worden tegen 3 % en in Curagao die rentevoet al gedurende den oorlog gold. § 33. De beleggingen zijn wiskundig gewaardeerd. Voor alle boven 3 #/o rentende obligaties en leeningen is gerekend, dat zij met ingang van den balansdatum tot 3 % zouden worden geconverteerd, indien boetebepalingen dit niet verhinderden. Een uitzondering is gemaakt voor de obligaties Nederlandsch-Indische Spoor, die met het oog op de onzekere toekomst tegen den laatsten beurskoers van 1944 in Amsterdam gewaardeerd zijn. De waarden van alle bezittingen en schulden in Nederland zijn in Curagao- sche guldens omgerekend door vermenigvuldiging met 0,71088. De hypotheken zijn behandeld, alsof zij alle na 2Va...”
11

“..., waarin w = v1/12 n n 12 12 o Op deze wijze kon er rekening mee worden gehouden, dat het pensioen be- taald wordt tot en met de maand, waarin de 21ste verjaardag valt. Er waren in het geheel 36 weezen, volle en halve weezen tezamen genomen, met f 5 976 pensioen, waarvan de contante waarde f 40 000 bedraagt. § 40. De toekomstige pensioenen aan weduwen en weezen, na te laten door reeds gepensionneerde deelgenooten. Voor ieder van de op den balansdatum gehuwde deelgenooten is uitgerekend, hoe groot het weduwenpensioen volgens de bepalingen van de voor hem geldende pensioenverordening, met inachtneming van een eventueel door hem gesloten ver- zekering, zal zijn, dat bij zijn dood toegekend zal worden, indien hij een weduwe na- laat. De contante waarde van de toekomstige weduwenpensioenen is vervolgens berekend door de gevonden bedragen te vermenigvuldigen met de waarde van overlevingsrenten ay + y + i/2 + 1/48 % *) De term V8 is een ruwe benadering voor de waarde van een...”
12

“...33 Voor x is de werkelijke leeftijd van den man, voor y de verschoven leeftijd (zie § 28) van zijn vrouw genomen. Een nauwkeurige berekening van de pensioenlasten van de kinderen der deel- oenooten, die onder de pensioenverordening van 1899 vallen, zou zeer omslachtig zijn, omdat tijdelijke renten, ingaande na het overlijden van beide ouders, bepaald zouden moeten worden. In verband met de betrekkelijk geringe lasten dezer wee- zenpensioenen is een globale rekenwijze gevolgd en de overlevingsrente voor het weduwenpensioen vermenigvuldigd met een factor, afhankelijk van den leeftijd van het jongste kind. Immers tot diens meerderjarigheid moet het pensioen uitgekeerd worden. Zoo is bijv. met 1,020 vermenigvuldigd, indien het jongste kind 3, met 1,009, indien het 9 en met 1,001, indien het 15 jaar was. De last der weezenpensioenen voor de onder de verordening van 1938 vallende gepensionneerden kon echter zonder veel bezwaar wel met tijdelijke renten bij overlijden bepaald...”
13

“... kinderen beneden 21 jaar met de in § 40 genoemde factoren vermenigvuldigd. Dezelfde rekenwijze is toegepast op diegenen van de onder de verordening van 1938 vallende actieven, die een volgens de verordening van 1899 mogelijke ver- zekering van weduwenpensioen gesloten hadden en deze na het in werking treden van de nieuwe verordening (1938) in stand hebben gehouden. In deze gevallen wordt het eventueel toe te kennen weduwen- en weezenpensioen vastgesteld vol- gens den grondslag, waarnaar verzekerd is en niet naar dien, welke het laatst be- reikt is, of dien, waarnaar het eigen pensioen is berekend. Zoolang de betrokkenen de verzekering in stand houden, verandert het wedu- wenpe'nsioen niet. Zij kunnen echter bij, bezoldigingsverhooging te kennen geven, dat zij voor hun weduwen en weezen pensioen volgens de bepalingen van art. 56 der pensioenverordening 1938 willen verwerven, waardoor de verzekering vervalt. Omdat het niet zeker is f, en zoo ja, wanneer zij dit zullen doen, is er...”
14

“...35 Het product van deze grootheden en de verhouding van weduwenpensioen tot pensioengrondslag is Wx genoemd. Hieronder volgen eenige waarden van genoemde grootheden. Leeftijd in. volle jaren X (1) Leeftijds- verschil xy (2) Gehuwd deel + 1 (3) Wed. pens. Grondslag (4) a 11 y 24 (5) C.W., las- ten wee- zenpens. p. gehuwde p. f 1. wed. pensioen (6) Lasten p . eenheid van wed. pensioen U5) + (6)) ( X (3) \ (7) van grondslag (7) X (4) W ... X + V* (8) 30 2Vs 0,73 0,310 22,910 2,60 18,62 5,77 40 3V2 0,87 0,290 20,931 3,40 21,17 6,13 50 5 0,90 0,275 18,389 2,60 18,89 5,18 60 5V2 0,90 0,267 14,955 1,50 14,81 3,95 De pensioenfactor f a , x -\ j. waarmede de pensioengrondslagen van de x- jari- gen vermenigvuldigd moeten worden om de contante waarde der lasten te vinden, bestaat uit twee deelen. In het eerste stuk komen de lasten tot uitdrukking, die ont- staan bij overlijden in dienst, in het tweede die, welke ontstaan bij overlijden na pensionneering. De pensioenfactor...”
15

“... 853 000 voor allen tezamen: 4 314 000 § 46. De b ij dragen voor weduwen- en weezenpensioenen door mannel ij ke gepensionneerden. De oudste gepensionneerden vallen onder de pensioenverordening van 1868. Dezen behoeven geen bijdragen te betalen, omdat zij allen een verzekering gesloten hebben. De bepalingen van de pensioenverordening van 1899 schrijven een bijdrage van 2% voor, zoolang de deelgenoot pensioengerechtigde betrekkingen heeft, ter- wijl de pensioenverordening van 1938 3% van den pensioengrondslag vraagt tijdens actieven dienst en 3% van het pensioen na pensionneering. Een uitzondering wordt gemaakt voor hen, die hun volgens de verordening van 1899 gesloten verzekering in stand'hebben gehouden; zij kunnen volstaan met voort te gaan het voorschot te re- stitueeren, dat zij indertijd hebben gekregen om de verschuldigde som af te doen. Deze verzekering wordt als een overeenkomst opgevat, die slechts met medewerking van den ambtenaar ongedaan kan worden gemaakt. De...”
16

“...37 De contante waarde van de bijdragen over pensioen is berekend met behulp van een verbindingsrente a . Gelet op de zooveel geringere be- x + 72- y + 1/2 24 dragen zijn deze contante waarden niet individueel berekend, zooals die van de pen- sioenlasten, maar per geboortejaar met gebruik van een gemiddeld leeftijdsverschil van 5V2 jaar. Voor de contante waarden is gevonden : gepensionneerde ambtenaren, P.V. 1899 : f 29 500, idem P.V. 1938 : f 8 100, gepen- sionneerde politiemilitairen f 12 800. De contante waarde der bijdragen van alle ge- pensionneerden tezamen is rond f 50 000. §47. De b ij dragen voor weduwen- en weezenpensioen van mannel ij ke in dienst zijnde deelgenooten. De nog in dienst zijnden, op wie de pensioenverordening van 1899 van toepas- sing is, betalen na hun pensionneering slechts 2% van hun pensioen. Als contante waarde daarvan is met behulp van verbindingsrenten gevonden een bedrag van f 22 000. Van de overige nog in dienst zijnden is een...”
17

“...38 zijnden, met inbegrip van de ongehuwden, doch zonder R. Katholieken, met de bij eiken leeftijd passende bijdragefactoren en telt deze producten op. Neemt men van de uitkomst 3%, dan heeft men de contante waarde van een bijdrage van 3% over pensioengrondslag en pensioen van de tot bijdrage verplichte deelgenooten. Op deze wijze is tevens rekening gehouden met de buitengewone bijdrage, welke men bij huwelijk verschuldigd is wegens diensttijd als ongehuwde, waarover nog niet was bijgedragen. Met het feit, dat deze bijdrage niet regelmatig, doch eerst na huwelijk be- taald wordt, is zoo geen rekening gehouden. De onnauwkeurigheid van deze ver- waarloozing is van geen beteekenis, vergeleken bij, de graad van nauwkeurigheid van andere veronderstellingen, bij voorbeeld bij, die van de keuze van het percen- tage 95 voor het gedeelte, dat niet altijd ongehuwd zal blijven. De contante waarde van de bijdragen dergenen, die 3% betalen is f 1 424 000. Samen met de in het begin van...”
18

“... waren. De invloed van nieuwe toetredingen op het balanstekort is van gelijksoortigen aard. Men ziet dit als volgt in. Indien voor een groep deelgenooten, die in het fonds opgenomen worden, ten behoeve van hun toekomstige pensioenen voldoende aan het fonds betaald wordt, is de contante waarde der gedurende hun loopbaan te verwachten bijdragen gelijk aan de contante waarde der toekomstige pensioenen. Indien echter minder dan het be- noodigde bijgedragen wordt, is de contante waarde der bijdragen kleiner dan die der toekomstige pensioenen. Maakt men nu een balans op vlak vr en een vlak na de toetreding, dan ver- schilt in het geval van betaling der benoodigde bijdragen de tweede balans daarin van de eerste, dat de activa vermeerderd zijn met de contante waarde der bijdragen...”
19

“...44 schappelijke balans vermeld, in een jaar tijds opgeloopen met f 667 100 + f 635 400, dus met rond 1,3 millioen gulden. Indien de bijdragen blijvend door het Gouvernement verdubbeld zouden wor- den is de toeneming van het jaarlijksche tekort door renteverlies f 582 000 en tenge- volge van de nieuwe toetredingen f 422 800, of tezamen rond 1 millioen gulden. Beschouwt men de wetenschappelijke balans, die berekend is met de benoo- digde bijdragepercentages, dan vloeit uit de nieuwe toetredingen geen toeneming van het tekort voort, zooals in de vorige paragraaf is uiteengezet. Het renteverlies blijft echter wel een factor, waardoor het tekort verhoogd wordt, en wel met 0,03 X f 10 198 000 f 306 000 in het eerste jaar. § 60. Gaat men de ontwikkeling van het fonds in 1945 na, dan ziet men, dat de volgende bedragen aan subsidie ontvangen zijn : Er is geen rekening gehouden met het koersverschil tusschen den Nederland- schen en den Curagaoschen gulden. Immers de aanvulling...”
20

“...49 In plaats van f 5 736 000 + f 10 198 000 (kapitaal + tekort) of rond 16 mil- lioen gulden zou f 5 736 000 + f 22 365 000 of rond 28 millioen gulden noodig zijn om met zekerheid de pensioenen te kunnen financieren, ongerekend de hoogere aan- vullende regelmatige bijdragen. § 66. Op den dag na den balansdatum zijn twee leerkrachten van de Ambachts- school St. Jozef in het fonds opgenomen. (§ 6). Daarbij is bepaald, dat het totale per 1 Januari 1945 voor hen in het voorzieningsfonds aanwezige kapitaal in het Algemeen Curagaosch Pensioenfonds zal worden gestort. Dit kapitaal bedroeg Het tekort op de wetenschappelijke balans, welke berekend is met de regle- mentaire bijdragen, neemt door deze opneming in het fonds toe met f 70 964, dat op de wetenschappelijke balans, berekend met de benoodigde bijdragepercentages, met f 39 260. De storting van f 17 236 vermindert deze tekorten resp. tot rond 54 000 en rond f 22 000. Bovendien is diensttijd als leeraar bij de...”