| 1 |
 |
“...
November 1945, en van P.B. 1944, No. 84 voor die op pensioen, ingegaan 1 Maart
1943.
Een ruwe berekening liet zien, dat ten gevolge van dergelijke verhoogingen
het bijdragepercentage voor eigen pensioen met ca. 2,7 %, dat voor weduwen- en
weezenpensioen met ca. 1,2 % wordt verhoogd.
De wetenschappelijke balans van staat VIII zou het volgende beeld vertoonen,
indien de duurtetoeslagen als vaste bestanddeelen opgenomen werden:
(In duizenden guldens)
Bezittingen en vorderingen 5 884 Schulden . . . 148
C.w. der bijdragen 27,9 /o C.w. loopende eigen pensioe-
voor eigen pensioen . 14 200 nen mann. ambtenaren . 4 900
7,3 /o voor weduwen-en wee- politiemilitairen .... 65
zenpensioen ..... 3 900 vrouw el. ambtenaren 916
C.w. extra bijdragen bij huwe- C.w. loopende weduwen- en
lijk (leeftijdsverschil) 26 weezenpensioenen 2 340
C.w. toekomstige eigen pensioe-
nen
mannen 25 230
vrouwen . . . 3 700
C.w. toekomstige weduwen-
en weezenpensioenen . 8 080
C.w...”
|
|