| 1 |
 |
“.... 160 en, na
balansdatum doch gedeeltelijk met terugwerkende kracht, bij P.B. 1945 No. 71 en
P.B. 1945 No. 137.
Bij de invoering van de pensioenverordening 1938 zijn van diegenen, die on-
der de oude verordeningen vielen, slechts de in dienst zijnde ambtenaren met min-
der dan 20 dienstjaren naar die van 1938 overgebracht....”
|
|
| 2 |
 |
“... Leger
(art. 43 van de pensioenverordening voor politiemilitairen 1939).
§ 8. Over het algemeen hebben de deelgenooten recht op pensioen na het berei-
ken van een leeftijd van 50 jaren en een diensttijd van 20 jaren.
Het pensioen bedraagt na 20 dienstjaren de helft van de middelsom van de
pensioengrondslagen gedurende de laatste twee jaren, na een korteren diensttijd
een evenredig deel daarvan, terwijl na meer dienstjaren het pensioen stijgt met V30
deel van die halve middelsom per jaar, totdat, na 30 dienstjaren in totaal, het maxi-
mum wordt bereikt, zijnde 2/s van de middelsom.
Bovendien is er een absoluut maximum-pensioen vastgesteld, dat thans
5.000 per jaar bedraagt (vroeger 4.500).
§ 9. De weduwen- en weezenpensioenen zijn in de verordening van 1938 geheel
anders geregeld dan in de oudere verordeningen. Volgens de laatste bedraagt het
weduwenpensioen de helft van het eigen pensioen, waarop de man recht zou hebben
of dat hij genoot. Omdat in geval van jong overlijden...”
|
|
| 3 |
 |
“...11
Gelijksoortige bepalingen bevat de pensioenverordening voor de politiemili-
tairen van 1939.
§ 10. Voor eigen pensioen betalen in dienst zijnde deelgenooten 5/o van hun pen-
sioengrondslag.
De bijdrage voor weduwen- en weezenpensioen wordt alleen betaald door
dengene, die pensioengerechtigde betrekkingen heeft en bedraagt 3% van den
grondslag voor in dienst zijnden en 3% van het pensioen voor gepensionneerden.
De gewezen gouvernementsambtenaren, die onder de pensioenverordening van
1868 vallen, betalen geen bijdrage voor weduwen- en weezenpensioen, mits zij een
verzekering hadden gesloten. Zij, die onder de verordening van 1899 vallen, betalen
geen bijdrage als in dienst zijnden, maar 2% van hun pensioen. De gepensionneerde
politiemilitairen,' vr wie de Indische regeling geldt (zie § 7), betalen 5 % van hun
Bij toetreding moet over de vroeger gedurende tijdelijken dienst genoten
bezoldigingen en voor anderen dan Curagaoschen dienst over den eersten Curaga-
oschen...”
|
|
| 4 |
 |
“...,
reeds aanwezige weduwen en weezen,
de door de thans nog levende deelgenooten, actieven en gepensionneerden,
eventueel na te laten weduwen en weezen.
Terwijl de verplichtingen en rechten van de debiteuren en crediteuren, ver-
meld in de boekhoudkundige balansen, op den datum van de balans als regel opeisch-
baar zijn, vervallen de zoojuist genoemde pensioenen op een lateren datum, ja zelfs
is het op den balansdatum van een afzonderlijken pensioentermijn nog niet zeker,
of hij ooit vervallen zal.
Toch is het niet juist deze verplichtingen daarom te negeeren. Er is immers
een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, dat aan een deel der op den balans-
datum aanwezige deelgenooten pensioen zal moeten worden betaald.
Het is daarom noodig te weten, hoe groot die schuld is en het is de taak van
den wiskundige haar omvang te berekenen.
§ 14. De loopende pensioenbetalingen zijn afhankelijk van het al dan niet in leven
zijn der gepensionneerden.
Na overlijden worden nieuwe weduwen...”
|
|
| 5 |
 |
“... geheel anderen aard, die een zeer belangrijke rol speelt bij de
berekeningen, is de intrest, die men verwacht op het belegde kapitaal te zullen
maken.
Met een eenvoudig voorbeeld kan haar werking verduidelijkt worden.
Om over een jaar f 1 000 te kunnen betalen, behoeft men thans nog niet over
het volle bedrag te beschikken, maar kan men met zooveel minder volstaan als het
geld, in dien tijd rentegevend belegd, aan rente opbrengt. Met de rente samen heeft
men dan aan het eind van het jaar 1 000. In het algemeen is de huidige waarde
van een gegeven som, die over eenige jaren betaald moet worden, gelijk aan een
zoodanig bedrag, dat het met bijberekening van rente op rente gedurende dat be-
paald aantal jaren juist de gegeven som vormt. Men noemt die waarde de con-
tante waarde van de toekomstige verplichting.
Hieruit blijkt, dat naarmate de rente, vergoed op uitstaand kapitaal, hooger
is, de contante waarde lager is.
De rente, die gemaakt wordt, is derhalve een belangrijke...”
|
|
| 6 |
 |
“... voor de samenstelling
van de sterfte- en activiteitstafels en omtrent de formules, welke voor het Alge-
meen Curagaosch Pensioenfonds zijn gebruikt.
Met den rentevoet, die voor deze balans is gekozen, nl. dien van 3%, leiden
deze tafels en formules tot de gevraagde contante waarde van een levenslang pen-
sioen groot n gulden en tot de contante waarde van een toekomstig pensioen of
die van alle te verwachten bijdragen, beide per gulden thans genoten pensioen-
grondslag.
De contante waarden zijn dus berekend per gulden, of, zooals men zegt, per
eenheid, zoodat men de contante waarde van de gezamenlijke pensioenen van de ge-
pensionneerde deelgenooten van n leeftijd vindt door de betreffende contante
waarde per gulden te vermenigvuldigen met de som der pensioenen dier deelgenoo-
ten. Telt men de gevonden uitkomsten van alle verschillende leeftijden bij, elkaar,
dan vindt men de contante waarde van alle pensioenen. Op dezelfde wijze wordt de
contante waarde der toekomstige...”
|
|
| 7 |
 |
“...15
De wetenschappelijke balans sluit, als het kapitaal op de boekhoudkundige
balans niet kleiner is dan dit verschil der contante waarden.
De uitkomsten voor het Algemeen Curagaosch Pensioenfonds naar den toe-
stand van 31 December 1944 zijn in Hoofdstuk V behandeld.
§ 19. Benoodigd bijdragepercentage.
In het voorgaande is nog niet afgeleid, op welke wijze men bepaalt, hoe
groot de bijdragen moeten zijn om de pensioenlasten geheel te dekken.
Uit de statistieken is af te lezen, hoeveel nieuwe deelgenooten gemiddeld per
jaar in het fonds opgenomen worden, op welken leeftijd zij toetreden en op welke
bedragen de pensioengrondslagen (= bezoldigingen) bij die toetredingen worden
vast ^esteld.
Van deze nieuw toetredenden legt men de bij de opneming in het fonds
genoten bezoldigingen vast en berekent vervolgens de contante waarden, zoowel
van het toekomstig pensioen als van de tijdens actieven dienst te genieten bezoldi-
gingen door vermenigvuldiging in beide gevallen van de...”
|
|
| 8 |
 |
“...16
zwaarder, zonder dat daartegenover naar evenredigheid baten staan. Slechts voor de
juist toegetredenen maakt de bezoldigingsverhooging geen verschil, immers de las-
ten van hun hoogere pensioenen worden gecompenseerd door hun hoogere bijdragen.
Op dezelfde wijze is een bezoldigingsverlaging een voordeel voor het fonds,
daar personen, die kort na de verlaging gepensionneerd worden een lager pensioen
krijgen dan waarvoor zij steeds bijgedragen hebben.
Met het oog op al deze gebeurlijkheden is het noodzakelijk geregeld nieuwe
wetenschappelijke balansen op te maken, wat dan ook, zooals in § 2 is gezegd, om
de vijf jaar plaats moet vinden....”
|
|
| 9 |
 |
“... kan in dienst plaats vinden of later, na pensionneering.
De c.w. dezer pensioenen wordt op gelijke wijze gevonden als die der eigen
pensioenen, waarbij, in den factor, die de c.w. per eenheid van pensioengrondslag
uitdrukt, reeds rekening is gehouden met al dan niet gehuwd zijn.
d. toekomstige weduwen- en weezenpensioenen, toe te
kennen na overlijden van op den balansdatum reeds
gepensionneerden.
De c.w. dezer pensioenen is gevonden door vermenigvuldiging van de indi-
vidueel berekende bedragen der eventueel toe te kennen weduwenpensioenen met
de waarde van een lijfrente op het leven van de vrouw, ingaande na den dood van
haar man (overlevingsrente).
De vorderingen ten opzichte van de deelgenooten bestaan uit:
a. b ij dragen voor eigenpensioen gedurende actieven
dienst.
De c.w. daarvan wordt gevonden door vermenigvuldiging leeftijdsgewijs van
de som der pensioengrondslagen met de c.w. der 5/o bijdragen per eenheid van
grondslag (zie § 18).
b. b ij, dragen voor weduwen...”
|
|
| 10 |
 |
“...28
IV. TECHNISCH GEDEELTE.
1. Sterfte- en andere tafels.
§ 27. Uit de getallen, voorkomende in de §§ 23 en 24 omtrent het verloop van de in
dienst zijnde en gepensionneerde deelgenooten, is te zien, dat de waargenomen
frequenties van pensionneering, sterfte enz. in de verschillende kalenderjaren sterk
schommelen. Hoe het verloop in de toekomst zal zijn, is daaruit dus slechts met
een groote mate van onzekerheid af te leiden.
De aantallen waarnemingen zijn bovendien klein, zelfs heel klein, als men de
verschillende leeftijdsgroepen afzonderlijk beschouwt.
Om het materiaal wat te vergrooten is ook de statistiek in beschouwing ge-
nomen, die van de Curagaosche landsdienaren over de jaren vr de oprichting van
het fonds van 1910 af is opgesteld, al is die statistiek dan ook niet volledig en door
zijn ouderdom minder bruikbaar.
§ 28. Inzonderheid voor de bepaling van de sterfte zijn de gegevens te schaarsch.
Daarom is omgezien naar een bestaande sterftetafel, die een sterfte...”
|
|
| 11 |
 |
“...29
De opgestelde activiteitstafels, verschillend voor de mannen en voor de vrou-
wen, zijn dus zooveel mogelijk aan de onvoldoende statistiek ontleend, maar bevat-
ten onvermijdelijk een subjectief element.
Voor de mannen zijn de statistieken van 1920 af gebruikt. Voor de vrouwen
was het niet mogelijk statistieken van vr de oprichting van het fonds te gebrui-
ken, omdat de oudere slechts gouvernementsambtenaren omvatten, die thans niet
meer dan een vierde der vrouwelijke in dienst zijnde deelgenooten uitmaken
(§ 21). De overige zijn leerkrachten bij het bijzonder onderwijs, die eerst in 1935
pensioengerechtigd zijn geworden.
De activiteitstafels zijn hierachter opgenomen als de staten I en II.
Hertrouwingskansen van de weduwen zijn verwaarloosd; zij zijp van weinig
belang, daar er zoo goed als geen jonge weduwen zijn. In de laatste 10 jaren is
geen enkel geval van hertrouwen bekend geworden.
2. Verhoogingsgetallen en andere gbezigde grootheden.
§ 30. Met ingang van 1...”
|
|
| 12 |
 |
“...30
3. Rentevoet en waardeering der beleggingen.
§ 32. Hoewel op den balansdatum de in Nederland over het algemeen heerscheride
rentevoet hooger was dan 3 %>, zijn de berekeningen naar dien rentevoet uitge-
voerd, omdat sinds het einde van den oorlog in Nederland door het fonds slechts
belegd kon worden tegen 3 % en in Curagao die rentevoet al gedurende den oorlog
gold.
§ 33. De beleggingen zijn wiskundig gewaardeerd. Voor alle boven 3 #/o rentende
obligaties en leeningen is gerekend, dat zij met ingang van den balansdatum tot
3 % zouden worden geconverteerd, indien boetebepalingen dit niet verhinderden.
Een uitzondering is gemaakt voor de obligaties Nederlandsch-Indische Spoor,
die met het oog op de onzekere toekomst tegen den laatsten beurskoers van 1944 in
Amsterdam gewaardeerd zijn.
De waarden van alle bezittingen en schulden in Nederland zijn in Curagao-
sche guldens omgerekend door vermenigvuldiging met 0,71088.
De hypotheken zijn behandeld, alsof zij alle na 2Va...”
|
|
| 13 |
 |
“... 824 pensioengrondslag. Als contante waarde van hun pensioenen is
f 17 764 000 gevonden.
Het aantal in dienst zijnde vrouwelijke deelgenooten bedroeg 197; de con-
tante waarde van hun pensioenen, welker grondslagen tezamen f 562 374 bedroe-
gen, bleek te zijn f 2 465 000.
§ 37. De contante waarde van de toekomstige bijdragen is afgeleid met behulp van
bijdragefactoren, welke zijp samengesteld volgens de formule:
2 v
pc + V2
V
v V
xJr1k + 72 i/2
+ 72 + 72
waarin de letters dezelfde beteekenis hebben als in de pensioenfactoren.
Vermenigvuldigt men de respectieve pensioengrondslagen met de bijdragefac-
toren en telt men al de zoo gevonden bedragen bijeen, dan vindt men de contante
waarde van een bijdrage van 1% van die grondslagen. Voor de mannen werd deze
f 448 110, voor de vrouwen f 59 875.
Het bijdragepercentage voor eigen pensioen bedraagt echter 5 /o, zoodat de
contante waarden van die bijdragen respectievelijk worden f 2 241 000 en f 299 000.
5. Berekeningen voor...”
|
|
| 14 |
 |
“... er geen kinderen, dan zou deze waarde het product zijn van het
gehuwde deel en de waarde van een lijfrente voor de weduwe, uitgedrukt door
a 11. Voor de kinderen komt er volgens de gemaakte berekeningen voor de40~
y 24
jarigen nog ruim 16% bij, voor de ouderen en de jongeren minder....”
|
|
| 15 |
 |
“... nog verschuldigde restitu-
ties zijd onder den desbetreffenden post opgenomen.
Voor politiemilitairen gelden andere verordeningen dan voor de ambtenaren.
De politiemilitairen vallen in twee categorien uiteen, n.1. eenerzijds degenen, die
onder de eigenlijke bepalingen van de verordening van 1939 vallen en die 3% beta-
len als bijdrage en anderzijds degenen, die onder de Indische regeling vallen. De
laatsten betalen 5%, zoolang zij pensioengerechtigde betrekkingen hebben. Onder-
officieren van deze groep dragen ook nog na het verliezen van deze betrekkingen
5% bij, doch niet langer dan tot hun 65ste jaar.
Voor de berekening van de baten van de 5 aanwezige gepensionneerde on-
derofficieren is aangenomen, dat zij levenslang bijdragen. De baten komen dus iets
te hoog uit, doch de fout wordt min of meer gecompenseerd door het verwaarloozen
van de bijdragen van de ongehuwden met kinderen....”
|
|
| 16 |
 |
“...38
zijnden, met inbegrip van de ongehuwden, doch zonder R. Katholieken, met de bij
eiken leeftijd passende bijdragefactoren en telt deze producten op. Neemt men van
de uitkomst 3%, dan heeft men de contante waarde van een bijdrage van 3% over
pensioengrondslag en pensioen van de tot bijdrage verplichte deelgenooten.
Op deze wijze is tevens rekening gehouden met de buitengewone bijdrage,
welke men bij huwelijk verschuldigd is wegens diensttijd als ongehuwde, waarover
nog niet was bijgedragen.
Met het feit, dat deze bijdrage niet regelmatig, doch eerst na huwelijk be-
taald wordt, is zoo geen rekening gehouden. De onnauwkeurigheid van deze ver-
waarloozing is van geen beteekenis, vergeleken bij, de graad van nauwkeurigheid
van andere veronderstellingen, bij voorbeeld bij, die van de keuze van het percen-
tage 95 voor het gedeelte, dat niet altijd ongehuwd zal blijven.
De contante waarde van de bijdragen dergenen, die 3% betalen is f 1 424 000.
Samen met de in het begin van...”
|
|
| 17 |
 |
“... 126 500 + f 27 500
= f 154 000 pensioengrondslag, bedraagt f 620 100 + f 65 700 = f 685 800.
Als contante waarde van een bijdrage van 1 % is gevonden:
f 24 310 + f 3 270 = f 27 580.
De eigen pensioenen kunnen dus bij een rentevoet van 3 % met een bijdrage
van 24,86 % der pensioengrondslagen van de in dienst zijnde deelgenooten gefinan-
cierd worden.
Hierbij is dan geen rekening gehouden met bijdragen over diensttijd vr de
intrede in het fonds.
Ook de beheerskosten zijn buiten beschouwing gelaten.
Wil men beide factoren in de berekeningen betrekken, dan trekt men de
contante waarde van het gemiddelde der bijdragen over vroegeren diensttijd, zoo-
als dat gevonden is over de jaren 19381945, van de lasten af en telt men er 2 %...”
|
|
| 18 |
 |
“...40
van de contante waarde der pensioenen en V2 / van de contante waarde der pen-
sioengrondslagen bij; dan wordt het eindbedrag der lasten :
f 685 800 f 18 000 + f 27 500 = f 695 300
en het bruto bijdragepercentage: 25,21%.
§ 55. Voor de berekening van het bijdragepercentage, benoodigd om de lasten aan
weduwen- en weezenpensioenen te kunnen bekostigen, is uitgegaan
van het aantal jaarlijksche toetredingen van mannelijke deelgenooten, met uitzon-
dering van de R.K. geestelijken en ordebroeders, die geacht worden Va van het
geheele aantal uit te maken.
De berekening komt voor in staat V (vervolg).
Als contante waarde van de toekomstige weduwen- en weezenpensiodhen van
de 40 per jaar toetredenden is een bedrag gevonden van f 157 800, als die van een
bijdrage van 1 % van de pensioengrondslagen van hen, die pensioengerechtigde be-
trekkingen hebben of zullen krijgen, f 24 900.
De weduwen- en weezenpensioenen kunnen derhalve bij een rentevoet van
3 /o met een doorloopende...”
|
|
| 19 |
 |
“...V. DE WETENSCHAPPELIJKE BALANS
§ 56. De Wetenschappelijke Balans, opgenomen als Staat VIII vertoont een tekort
van f 22 238 000.
Op de balans staan tegenover de contante waarden der verplichtingen, voort-
vloeiende uit de loopende en de toekomstige pensioenen, de contante waarden der
bijdragen en de bezittingen.
Deze bezittingen zijn dus niet voldoende om de balans te doen sluiten.
Bij de beschouwing van de grootte van het tekort zal men wellicht een
oogenblik schrikken. Evenwel moet men bedenken, dat de lasten ten volle in reke-
ning zijn gebracht, terwijl daartegenover op niet meer inkomsten is gerekend dan
de bijdragen der deelgenooten, dus 5 % voor eigen pensioen en 3 /o (van verschil-
lende deelgenooten 2 % of zelfs niets) voor .weduwen- en weezenpensioen. De uit-
keeringen echter, die het Gouvernement op grond van de artikelen 4 en 5 van het
oprichtingsbesluit (K.B. van 27 April 1936) aan het fonds geeft, zijn buiten beschou-
wing gelaten, daar hun toekomstige...”
|
|
| 20 |
 |
“...42
Wetenschappelijke Balans per 31 Decemher 1944, indien de baten van het fonds
slechts bestonden uit 10 % resp. 6 % (c.q. 4 %) van pensioengrondslag en pensioen.
(In duizenden guldens)
Bezittingen, vorderingen . 5 00 00 Schulden ... 148
C.w. bijdragen eigen pensioe- C.w. loopende eigen pensioenen 4 112
nen (10%) ..... 5 o 00 o C.w. loopende weduwen- en
C.w. bijdragen weduwen- en weezenpensioenen . 1 534
weezenpensioenen (6 of 4 %) 1 798 C.w. toekomstige eigen pen-
C.w. bijdragen bij, huwelijk 20 sioenen 20 229
Tekort . , ... 19 398 C.w. toekomstige weduwen- en
weezenpensioenen 5 281
C.w. begrafenisgelden . 1
C.w. beheerskosten . . . 875
32 180 32 180
De thans gegeven verdubbeling der bijdragen maakt het tekort op de weten-
schappelijke balans nog geen 3 millioen gulden kleiner. Met opzet is in deze balans
geen rekening gehouden met de vergoeding der pensioenen door het Gouvernement,
daar dan het inzicht in de beteekenis van het tekort vertroebeld...”
|
|