| 1 |
 |
“...EERSTE WETENSCHAPPELIJKE BALANS VAN HET ALGEMEEN
CURAgAOSCH PENSIOENFONDS NAAR DEN TOESTAND OP
31 DECEMBER 1944
I. INLEIDING.
§ 1. De toelichtende tekst van de Wetenschappelijke Balans is verdeeld over een
zestal hoofdstukken, waarvan deze inleiding het eerste vormt en waarin vervolgens
behandeling vinden:
II. De Statistische gegevens,
III. De verplichtingen en vorderingen van het Algemeen Curagaosch Pensioen-
fonds,
IV. Technische gedeelte,
V. De Wetenschappelijke Balans,
VI. Slotopmerkingen.
Hij is vergezeld van een negental staten, genummerd I t/m IX.
Dit hoofdstuk bevat in de eerste plaats een historisch overzicht met betrek-
king tot het fonds, vervolgens een bespreking van de pensioenregelingen, terwijl
tenslotte een algemeene uiteenzetting wordt gegeven omtrent aard, opzet en be-
teekenis eener wetenschappelijke balans van een overheidspensioenfonds.
1. Historisch overzicht.
§ 2. Bij Koninklijk Besluit van 27 April 1936 (Ned. Stbl. No. 941, Publicatieblad...”
|
|
| 2 |
 |
“... van 193.828
genoemd, dat in dat jaar nog op grond van vr de oprichting van het fonds gende
bedragen gestort is. In 1938 is onder dat hoofd het bedrag van 149.000 vermeld,
dat bij de opneming der politiemilitairen wegens overdracht van pensioenlast ge-
stort is door het Weduwen- en Weezenfonds van Europeesche militairen beneden
den rang van officier bij, de Koloniale troepen.
In 1945 is 1.329.857 geboekt uithoofde van gemaakte koerswinst op het
kapitaal, dat in Curagao onbelegd was en omstreeks de jaarwisseling 1945/46 ter be-
legging naar Nederland is gezonden.
§ 5. Voor den oorlog was er geen wezenlijk koersverschil tusschen den Curagao-
schen en den Nederlandschen gulden. De pensioenen luidden niet in een bepaalae
valuta en werden in Curagao in Curagaosche, in Nederland in Nederlandsche guldens
betaald. De oorlog heeft hierin verandering gebracht en sedert de monetaire over-
komst met Engeland is de waarde van het Engelsche pond in Curagao 7,60 en in
Nederland 10,691...”
|
|
| 3 |
 |
“...13
kleine aantallen toch aan dien eisch tegemoet te komen, voegt men de waarnemin-
gen over verscheidene j aren samen.
Voor eiken in aanmerking komenden leeftijd worden bedoelde kansen be-
paald op grond van de verzamelde statistieken, waarbij overwegingen kunnen ko-
men omtrent factoren, die het verloop in de naaste toekomst zullen benvloeden.
Daarna worden zij vereenigd in zg. sterftetafels en activiteitstafels, welke men dik-
wijls als bijlagen bij wetenschappelijke balansen afgedrukt vindt.
Het gebruik dezer tafels vereischt eenige kennis van verzekeringswiskunde
(zie § 18).
Het salarisver loop wordt weergegeven in eveneens leeftijdsgewijze analoog
bepaalde verhoogingsgetallen.
Naast de genoemde grootheden worden nog eenige andere bij de berekeningen
gebruikt, waarvan hier nog vermeld worden de verhouding, die bij pensionneering
het pensioen tot den pensioengrondslag heeft en de kans op gehuwd zijn, ook weer
voor eiken leeftijd. *
§16. Rentevoet.
Een factor van...”
|
|
| 4 |
 |
“...26
over den pensioengrondslag en na pensionneering over het pensioen te voldoen,
zoolang de deelgenoot pensioengerechtigde betrekkingen heeft.
Berekend zijn de contante waarden, met inachtneming van het feit dat slechts
een deel der deelgenooten gehuwd is, door vermenigvuldiging van 3 % der pen-
sioengrondslagen op den balansdatum, met de contante waarde van de in de toe-
komst als gehuwde te genieten pensioengrondslagen en pensioenen, uitgedrukt in de
eenheid van in het heden genoten grondslag, wederom leeftijdsgewijs. Deze be-
dragen worden daarna opgeteld.
c. b ij dragen voor weduwen- en weezenpensioen van
reeds gepensionneerde deelgenooten.
De c.w. hiervan is bepaald als product van 3 %, c.q. 2 % van het pensioen en
de contante waarde van een z.g. verbindingsrente, d.w.z. van een jaarlijksche
betaling van de eenheid gedurende den tijd, dat zoowel man als vrouw in leven zijn.
§ 26. Behalve deze posten komen op de balans voor:
1. De c.w. der beheerskosten.
De...”
|
|
| 5 |
 |
“..., waarin w = v1/12
n n 12 12
o
Op deze wijze kon er rekening mee worden gehouden, dat het pensioen be-
taald wordt tot en met de maand, waarin de 21ste verjaardag valt.
Er waren in het geheel 36 weezen, volle en halve weezen tezamen genomen,
met f 5 976 pensioen, waarvan de contante waarde f 40 000 bedraagt.
§ 40. De toekomstige pensioenen aan weduwen en weezen, na te laten door reeds
gepensionneerde deelgenooten.
Voor ieder van de op den balansdatum gehuwde deelgenooten is uitgerekend,
hoe groot het weduwenpensioen volgens de bepalingen van de voor hem geldende
pensioenverordening, met inachtneming van een eventueel door hem gesloten ver-
zekering, zal zijn, dat bij zijn dood toegekend zal worden, indien hij een weduwe na-
laat.
De contante waarde van de toekomstige weduwenpensioenen is vervolgens
berekend door de gevonden bedragen te vermenigvuldigen met de waarde van
overlevingsrenten ay + y + i/2 + 1/48 %
*) De term V8 is een ruwe benadering voor de waarde van een...”
|
|
| 6 |
 |
“... kinderen beneden 21 jaar
met de in § 40 genoemde factoren vermenigvuldigd.
Dezelfde rekenwijze is toegepast op diegenen van de onder de verordening
van 1938 vallende actieven, die een volgens de verordening van 1899 mogelijke ver-
zekering van weduwenpensioen gesloten hadden en deze na het in werking treden
van de nieuwe verordening (1938) in stand hebben gehouden. In deze gevallen
wordt het eventueel toe te kennen weduwen- en weezenpensioen vastgesteld vol-
gens den grondslag, waarnaar verzekerd is en niet naar dien, welke het laatst be-
reikt is, of dien, waarnaar het eigen pensioen is berekend.
Zoolang de betrokkenen de verzekering in stand houden, verandert het wedu-
wenpe'nsioen niet. Zij kunnen echter bij, bezoldigingsverhooging te kennen geven,
dat zij voor hun weduwen en weezen pensioen volgens de bepalingen van art. 56
der pensioenverordening 1938 willen verwerven, waardoor de verzekering vervalt.
Omdat het niet zeker is f, en zoo ja, wanneer zij dit zullen doen, is er...”
|
|
| 7 |
 |
“...37
De contante waarde van de bijdragen over pensioen is berekend met behulp
van een verbindingsrente a . Gelet op de zooveel geringere be-
x + 72- y + 1/2 24
dragen zijn deze contante waarden niet individueel berekend, zooals die van de pen-
sioenlasten, maar per geboortejaar met gebruik van een gemiddeld leeftijdsverschil
van 5V2 jaar.
Voor de contante waarden is gevonden :
gepensionneerde ambtenaren, P.V. 1899 : f 29 500, idem P.V. 1938 : f 8 100, gepen-
sionneerde politiemilitairen f 12 800. De contante waarde der bijdragen van alle ge-
pensionneerden tezamen is rond f 50 000.
§47. De b ij dragen voor weduwen- en weezenpensioen van
mannel ij ke in dienst zijnde deelgenooten.
De nog in dienst zijnden, op wie de pensioenverordening van 1899 van toepas-
sing is, betalen na hun pensionneering slechts 2% van hun pensioen. Als contante
waarde daarvan is met behulp van verbindingsrenten gevonden een bedrag van
f 22 000.
Van de overige nog in dienst zijnden is een...”
|
|
| 8 |
 |
“...38
zijnden, met inbegrip van de ongehuwden, doch zonder R. Katholieken, met de bij
eiken leeftijd passende bijdragefactoren en telt deze producten op. Neemt men van
de uitkomst 3%, dan heeft men de contante waarde van een bijdrage van 3% over
pensioengrondslag en pensioen van de tot bijdrage verplichte deelgenooten.
Op deze wijze is tevens rekening gehouden met de buitengewone bijdrage,
welke men bij huwelijk verschuldigd is wegens diensttijd als ongehuwde, waarover
nog niet was bijgedragen.
Met het feit, dat deze bijdrage niet regelmatig, doch eerst na huwelijk be-
taald wordt, is zoo geen rekening gehouden. De onnauwkeurigheid van deze ver-
waarloozing is van geen beteekenis, vergeleken bij, de graad van nauwkeurigheid
van andere veronderstellingen, bij voorbeeld bij, die van de keuze van het percen-
tage 95 voor het gedeelte, dat niet altijd ongehuwd zal blijven.
De contante waarde van de bijdragen dergenen, die 3% betalen is f 1 424 000.
Samen met de in het begin van...”
|
|
| 9 |
 |
“...40
van de contante waarde der pensioenen en V2 / van de contante waarde der pen-
sioengrondslagen bij; dan wordt het eindbedrag der lasten :
f 685 800 f 18 000 + f 27 500 = f 695 300
en het bruto bijdragepercentage: 25,21%.
§ 55. Voor de berekening van het bijdragepercentage, benoodigd om de lasten aan
weduwen- en weezenpensioenen te kunnen bekostigen, is uitgegaan
van het aantal jaarlijksche toetredingen van mannelijke deelgenooten, met uitzon-
dering van de R.K. geestelijken en ordebroeders, die geacht worden Va van het
geheele aantal uit te maken.
De berekening komt voor in staat V (vervolg).
Als contante waarde van de toekomstige weduwen- en weezenpensiodhen van
de 40 per jaar toetredenden is een bedrag gevonden van f 157 800, als die van een
bijdrage van 1 % van de pensioengrondslagen van hen, die pensioengerechtigde be-
trekkingen hebben of zullen krijgen, f 24 900.
De weduwen- en weezenpensioenen kunnen derhalve bij een rentevoet van
3 /o met een doorloopende...”
|
|
| 10 |
 |
“... waren. De invloed van
nieuwe toetredingen op het balanstekort is van gelijksoortigen aard. Men ziet dit
als volgt in.
Indien voor een groep deelgenooten, die in het fonds opgenomen worden, ten
behoeve van hun toekomstige pensioenen voldoende aan het fonds betaald wordt, is
de contante waarde der gedurende hun loopbaan te verwachten bijdragen gelijk aan
de contante waarde der toekomstige pensioenen. Indien echter minder dan het be-
noodigde bijgedragen wordt, is de contante waarde der bijdragen kleiner dan die
der toekomstige pensioenen.
Maakt men nu een balans op vlak vr en een vlak na de toetreding, dan ver-
schilt in het geval van betaling der benoodigde bijdragen de tweede balans daarin
van de eerste, dat de activa vermeerderd zijn met de contante waarde der bijdragen...”
|
|
| 11 |
 |
“...46
Aantal jaren der subsidie- betalingen Jaarlijksch bedrag ter dekking van het tekort Benoodigde aan- vulling der bijdragen ' Totaal
5 2 227 000 965 000 3 192 000
10 1 196 000 965 000 2 161 000
20 685 000 965 000 1 650 000
30 520 000 965 000 1 485 000
Is het tekort eenmaal aangezuiverd in een zoodanig aantal jaren, als op grond
van de zoo juist genoemde cijfers en in aanmerking genomen de mogelijkheden, wel-
ke de Curagaosche begrooting biedt, gekozen zal worden, dan behoeft men slechts
jaarlijks de aanvullende bijdragen te betalen. Volgens de op den balansdatum be-
staanden toestand bedraagt deze aanvulling een klein millioen gulden per jaar.
De aanzuivering van het tekort volgens de wetenschappelijke balans met de
reglementaire bijdragen vertoont een geheel ander beeld. Hier bedroeg het tekort
f 22 238 000.
Nu is er geen bijdrage van het Gouvernement noodig, welke de 5 % en 3 /o
aanvult tot de benoodigde percentages van 25,21 % en 6,13 %>, maar een dekking van
het...”
|
|
| 12 |
 |
“...47
men dan nog die der vrouwen en de weduwen- en weezenpensioenen. Uiteindelijk
maakt de kapitaalsvorming, dat een aanmerkelijk lagere uitgave voor pensioenen ten
laste van de Curagaosche begrooting komt.
§ 64. Indien een wetenschappelijke balans, opgemaakt volgens de methode van het
stelsel van dekking der aanspraken, geen tekort vertoont, kan men zeggen, dat het
pensioenfonds bij een juiste kapitaalbelegging op een hechte basis gegrondvest is.
Wordt het tekort van ruim 10 millioen gulden aangezuiverd en worden voor
de in dienst zijnden gedurende hun diensttijd de benoodigde bijdragen betaald, dan
wordt er voldoende kapitaal gevormd om de pensioenen te kunnen uitbetalen. Hier-
bij is stilzwijgend verondersteld, dat het verloop onder de landsdienaren, hun be-
zoldigingen, de rente van de te beleggen gelden, enz. overeenkomen met de verwach-
tingen, welke ten grondslag liggen aan de gemaakte berekeningen....”
|
|
| 13 |
 |
“...VI. SLOTOPMERKINGEN
§65. Duurtetoeslagen.
De in den oorlog gegeven duurtetoeslagen op pensioen en bezoldiging zijn in
het voorgaande niet in de berekeningen opgenomen om het tijdelijk karakter, dat zij
dragen. Die op pensioen worden weliswaar tegelijk met de pensioenen betaald, doch
komen rechtstreeks ten laste van het Gouvernement.
Zou men de duurtetoeslagen als blijvend willen zien en als zoodanig in de
wetenschappelijke balans opnemen, dan zou het beeld nog veel ongunstiger worden,
omdat de toeslagen op de pensioenen percentsgewijs hooger zijn dan die op de be-
zoldigingen.
Voor de mannelijke ambtenaren bedragen deze percentages resp. 42 en 29; de
duurtetoeslagen op de eigen pensioenen der vrouwen zijn gemiddeld 50 /o, die op de
weduwen- en weezenpensioenen gemiddeld 53 %. De bezoldigingen zijn dus veel
minder verhoogd dan de pensioenen. Bij. de berekeningen is uitgegaan van de rege-
lingen van P.B. 1945, No. 178 voor de duurtetoeslagen op bezoldiging, ingegaan 1...”
|
|