Your search within this document for 'wal' resulted in seven matching pages.
1

“... geraakt en, een groot eind wegs verder, naar den kant der Osjesfluis, waar de ftraat eenen bogt neemt, met den ganfehen toeftel omgeflagen en in eenen aard- appelenkelder aan wal gekomen. Hier zaten de bewoners vertrouwelijk onder hun zevenuurtje. Wie is er alle dagen paarden op de koffij wachtende J de arme menfchen werden als dooden, toen zij den klepper naar beneden zagen komen; en hieven een vervaarlijk moordgetier aan. In een oogenblik waren er honderden voorbijgangers omheen verzameld. Met mannenkracht teeg men aan het werk, om ruintje, ' door I...”
2

“...PE NEEF VAN CURASAO, 4$ zeer gematigde beginfelen, als een vijand van onverdraagzaamheid en zucht tot vervolging, als een vriend van billijkheid, een groot voorftander van wetenfchappelijke verlichting en zedelijke be- ft fchaving: kon ik hem mijne veronachtzaming fij- ner betaald zetten, dan door mij tot zijnen regt- ftandigen tegenvoeter te verklaren? wat belieft UEd. ?,.. Tusfchen twee haakjes, mijnheer Ossepoot Indien hij nu eens onverwacht, bij voorbeeld, heden of morgen u verraste en aan zijne belofte r voldeed? Top! dat hij zijn woord houde: dan maak ik glosfen op den aanhang, welken ik thans voorfta. Zoo ? fprak de Heer Knuppelbusch eene nieuwe prop op den vuurpijl (lekende. Dat is toch alles, behalve regt door zee te gaan., / Enfin, mijnheer 1 hernam de boekhouder., die, thans aan lager wal zittende, een laatfte'zeil bijfpande, om weder in het ruime fop te komen, Doch.,., daar van zee gefprken: hebt gij dien varensman al bij u gehad...”
3

“...DE NEEF VAN CURASAO. 49 ' hij voor den besten niet uit den weg te gaan; hij was een puiks puik kareltje in zijn vak; de kqop- vaardij-kapitein zat er in, als of hij er in geftem- peld was. Maar met opzigt tot zoogenaamde alge- meene kundigheden, zat het er bij onzen Jan niet diep; met iets wetenfchappelijks, dat niet uitflui- tend tot zijn beroep behoorde, behoefde men heid niet aan boord te komen; daar wis hij geen hoog- vlieger in; hij gaf er zich ook niet voor uit maar wilde zelfs wel Weten, dat hij, wat kunstkennis of fmaak betrof, niet bijster hoog timmerde. Doch, waar hij eignlijk een volflagen breekebeen in mogt heeten, - djt was in de kennis en beoordeeling van karakters : daar was hij nu maar geheel niet in te huis; de verkeering met menfchen was hem eene zee, waarin hij telkens op klippen fliet. Dit kwam ook veelal daarvan daan, dat hij ht doorgaans niet digt onder de kust hield, maar ge- woonlijk te fchielijk met de lieden van wal flak,en de wijde plas...”
4

“...DE NEEF VAN CURASAO. 75 ,, Mijn hemel! het is nog geene zes jaren geleden, dat wij malkander te Charlestown gefproken hebben. Dat grieft mij in mijne ziel! het was zulk een ronde, vrolijke vent! wij hebben wat grappen aan hem beleefd. Doch. .. lieve Jufvrouw! zijt niet bedroefd! kom, ik mag u ,, niet zoo weemoedig zien. Wij willen immers hopen, dat. onze Eldert het wel heeft; hij was altijd zulk een godvreezend menscli: ik heb hem, in 'mijn leven, geen donder laat ftaan, een zwaarder woord hooren zeggen, noch ooit ,, boven zijn bier gezien. Kom, lieve Juf- vrouw Grqnne wees bedaard.... Maar, daar doet zich het fchelletje hooren. Nog eens. De gordijn gaat andermaal op; en ht "twee- de bedrijf van den Neef van Guadeloupe vangt aan. Die fatanfche fleper! gromt Prouwelman , die nu de komst zijner vrouw en zuster opgeeft. De wijven mogen, met dat regenachtig weder, wel aan wal gebleven zijn, zgt Kapitein van der Stap. De beide vrienden, gelijk ook...”
5

“...XI DE NEEF VAN CURAgA. 'indelijk doet zich het bengeltje hooren. Het paard is bereids aan de lijn gefpannen; de jager drijft het voorwaarts. Reeds wordt het touw, waarmede de fchuit voor een oogenblik vast lag, van den paal los gemaakt. De fchipper wil van wal fteken.... Hei daar!... Schipper! wij moeten er met ons tween nog in, roept Kapitein van der Stap driftig toeloopende. Ja, jongens! 2egt de Schipper. Maar de fchuit zit reeds zoo geftampt vol! Waarom komt gij ook niet vroeger? Er kunnen immers ndg perfonen in de roef zitten, zegt Prouwelman die intusfehen me- de is toegefchoten. Wel ja! hervat de Schipper, op den Kapi- tein en Robbetje wijzende. Die twee dddr zijn lieve jongens, om hen in de roef te plaatfen! zulk een paar verloopene zeebonken! Laat hen, voor een paar dubbeltjes de man, boven op zitten, Stoffel ! luidt de raad van des Schippersknecht. Wel, wat hamekater is dat! zegt een deftig bur- gerlijk heer, die nevens den Schipper in...”
6

“...DE NEEF VAN CURAgAO. 117 den ouden Heer, die den Kapitein tijdig herkend heeft. Ik wil ze gaarne innemen. Maar hoe kom ik aan mijne duiten ?... Zie mij zulke fchepfels er eens fchooijerig uitzien! Duizend duivels !... Ik breek u den hals , karei! graauwt Kapitein van der Stap van ongeduld ftampvoetende, den Schipper toe. Laat Mijnheer er in, Schipper! zegt ander- maal, doch nu met dubbelen nadruk, de oude Heer; terwijl hij aanftonds Kapitein van der Stap vriendelijk gemeenzaam bij deszelfs naam aanfpreekt, en daardoor toont, hem als een fatfoen- lijk man te kennen. Dit is van meerdere uitwerking, dan al het razen en getier, hetwelk de Kapitein en Prouwelman , intusfehen op den wal ftaande, hebben aangeregt. Maar nog aarzelt de Schipper, aan wal te houden. Nu! de vracht blijft voor uwe rekening, als zij ftraks niet kunnen betalen, zegt-.hij tot den ouden Heer; en gaat eindelijk er toe over om den Kapitein en-zijnen knecht in te nemen. De fchuit vaart...”
7

“...U4 DE NEEF VAN CURASAO. leggen; en bergde toen het een en ander in een aardig, fraai gewerkt beursje, hetwelk zij daarna wel verzekerd in haren breizak knoopte. Onder vriendfchappelijken kout en gulle, fcherts vliegt de tijd ongemerkt voorbij en wordt de reis aangenaam verkort. Z gaat het ook hier, daar men weldra aan de gewone ververfchingsplaats te Nieuwerjluis is aangekomen, waar de fchuit eene tweede maal aanlegt. Men is de herberg genaderd 5 de fchuit ligt reeds ftil; en het gezelfchap in de roef, (lapt gezamelijk aan den wal. Maar, nadat men zich weder in het vaartuig heeft begeven; en de Schipper, na reeds een- en andermaal fcheep! fcheep! geroepen te hebben, gereed (laat af te (Ie-? ken, zijn en de,Officiers weduwe,en de Heer, die een zoo bijzonder belang in haar lot (lelde, nog niet op hunne plaatfen teruggekeerd; nog laten zij naar zich wachten. Toef derhalve nog een oogenblik, Schipper! zegt daarom de oude Heer, die reeds met Kapitein van der Stap...”