| 1 |
 |
“... Sperwer in edelo
drift ontdoken, op een vergramden toon. ,, Dat
is thans aan de orde van den dag: elk onwaar
,, dige werpt ons den naam van Ridders van den
domper naar het hoofd! Maar geen domper baat
er! de vlam uwer Jakobijnfche verlichting flikkert
,, te hoog: zij dreigt ten dake uit te (laan; doch
,, wij zullen haar blusfchep! de baniere des op-
(lands is geplant! ridderlijk zullen wij lcain-
pen','?..,....”
|
|
| 2 |
 |
“...DE NEEF VAN CURASAO. 53
huizen van Europa deed. Aan deszelfs hoofd
ftond van der Staps handelgenoot, de^ brave
Roelof Delme die het beheer van zaken voer-
de en ten wiens name de handelgemeenfchap werd
gedreven. Jan die genen lust had het geliefkoosd
boord met eene plaats vr den fchrijflesfenaar te
verruilen, zat achter het fcherm; hij droeg voor
zijn aandeel, de klinkers bij; Delme zijne han-
delkennis, beproefde trouw en werkzaamheid. Zoo
waschte de eene hand diar de andere, en beiden
werden met rijke winden gevuld.
Omtrent dezen tijd- ontdond de drijd der onaf-
hankelijken in Zuid-Amerika i het vuur des krijgs,
dat lang gefmeuld had, borst thans in laaije vlam-
me uit. Die omdandigheid wakkerde de onderne-
mingszucht der kooplieden aan. Delmes fchran-
der oog ontwaarde ras, dat men, om voordeel te
doen, zich in de nabijheid van het oorlogstooneel
moest bevinden, Om geene kanfen te laten voor-
bijgaan, Vdevende van per Stap, naar Curasao;
vestigde er zijn...”
|
|
| 3 |
 |
“...DE NEEF VAN CURAQAQ. a9j
(blie courant te lezen. Nicht Bart a had zich,
juist een oogenblik te voren, verwijderd; en was
met hare meid naar de markt gegaan. Terwijl de
Kapitein opftaat en eens de kamer op en neder wan-
delt merkt hij, dat zijne pijp is uitgegaan. Rob-
betje is op dit oogenblik juist van de hand; de
Kapitein geeft zich derhalve zelvn de moeite om
ecns naar de keuken te gaan en zijne meerfchuimen
pijp weder te ontfteken. Hij zoekt tot dat einde
eenen zwavelftok; maar dien zoo fpoedig niet vin-
dende, neemt hij van onder ecnige peperhuisjes en
ander fcheurpapier, welke daar op den rand van
den fchoorfteentnantel liggen, een ftuk papier.
Jan van der Stap, die niet gewoon is, zoo
iets angstvallig te bekijken, eer hij er gebruik
van maakt, rolt dat op, wil het aan de vlam
ontfteken en... maar holla, wat! daar valt zijn
oog op eene naamteekening; ijlings trekt hij het
ftuk papier terug ; en loopt-vlugtig eenige regelen
over. . In deze handeling troffen...”
|
|