| 1 |
 |
“...So DE NEEF VAN CURASAO.
zijn ? hernam de Heer Knuppelbusch met
bevreemding, en voegde er in nen adem bij:
Het doet mij plezier dat UEd. thans mijnen
,, zoon Jojakim gefustififigiceerd ziet; doof zulk
een misverftand zoude men iemand allerlei gek-
heden kunnen aantijgen!
Ha, ha! dan is dat uw zoon, die bij mijnen
,, ambtgenoot Twijnmolen als klerk op het kan
,, toor geweest is?.... Ja, ja! nu her-
,, inner ik mij, wel meer van hem gehoord te
,, hebben: hij was meen ik toenmaals, lid
,, van een liefhebberij tooneel, hetwelk daar er-
gens in de Vinkenbuurt moet te huis behoo-
ren#
Juist! om UEd. te dienen. Maar tegen-
,, woordig ig hij al zoo veel weet Ed. ?
als de opperfte van het gezelfchap, en hij zal
, het nog wel verder brengen. Tusfchen ons, in
,, vertrouwen gezegd! ~~ de groote fchouwburg
moet er onder, als mijn zoon zich denzelvenniet
aantrekt: daar loopt het hard naar toe. Doch
, onze Jojakim heeft gezworen, dat hij geenen
, voet op het...”
|
|
| 2 |
 |
“...so DE NEEF VAN CURASAO.
had dan de brave Jufvrouw Gronne toen zij
waande eene andere dan Henrietta te zien, haar
werkelijk zelve voor gehad; er was nu toch wel
geen twijfel meer aan,- of het was Henrietta
Dalman geweest, die- zij- in het gezelfchap van
Mevrouw Palonnier had ontmoet, nu, daar het
narigt van Boone die zelf haar bij dit wijf gezien
en gefproken had, zoo volkomen met de aandui-,
ding van Jufvrouw Gronne ftrookte. Hoe diep
moest niet Henrietta gezonken wezen, om van
een zoo onfculdigen engel, als zij te voren plagt
te zijn, tot de laagte eener openbare ligtekooi te
geraken! Wat dacht ik zeggen eene goede
opvoeding, wat ouderlijk yoorbeeld en ouderlij*
ke lesfen; wat zeggen eene veelbelovende jeugd,-n
de beminnelijkheid eens engels en de voortreffelijk-
fte aanleg, wanneer onreine togten de ziel bezo&r
deld hebben, en het heiligdom van het vrouwelijk
hart, de onfchuld is verloren gegaan Tel-
kens wilde ik terugkeeren en mijn avontuurlijk
plan...”
|
|