| 1 |
 |
“... zou hebben te binnen gebragt, nog eens
zoo fchimpend op. ,, L9as-tu entendu, Juliet-
te? .... Baas! baas baas Ma foi! papa baas
te...”
|
|
| 2 |
 |
“...DE NEEF VAN CURASAO. i1
,, te noemen!.... De onbefchaamde! het was, als
deed hij het er om; dat ging, oin het andere
woord, baas! Ma foil baas!!.... ik ben gen-
,, digneerd.
Niet meer 'dan ik: en sois sr, ma steur /
fprak Jufvrouw Juliette des Heeren Knuppel-
busch, jongde telg, die niet hare zuster Hor-
tense in eene aangrenzende kamer gezeten, het
gefprek, dat tusfehert haren vader en Van der
Stap in het fpreekvertrek plaats had, gedeeltelijk
had afgeluistei-d, en nu ook het geprangde hart
wilde lucht geven. Maar, vervolgde haar Ed.
is dat ook zich exprimeren, vis d vis zulk een
individu'!' Je tai dit cent fois : papa pretendeert
verftand te hebben; maar hij taleert geen grein
ducatle, de man heeft geeri manire de yivre.
4, Hebt gij die bxpressien 'gehoord?... Je le repte,
j, ma steur, waarachtig! papa heeft geene men-
,, fchenkenms; c'est un homme sans fagon, een
man, die zijne familie ridiculiseert. Het cha
t, grineert iemand, aan zulk eenen mensch...”
|
|
| 3 |
 |
“...! mon papa! nous voilh! zei-
den de meisjs, te voorfchijn tredende; en vroegen
in...”
|
|
| 4 |
 |
“...4 DE NEEF VAN CURASAO.
in cenen adem': Maar, waar blijft toch de
meid?
Slof, Hof, flof! ging het door den gang.... daar
was de meid al, levensgroot!
Hooft gij dan niet, Jakomijn! hetgeen papa
u beval ? beet Jufvrouw Hortense de dienst-
maagd vrij fpitsvinnig toe.
Gij zijt toch altijd een doof fchepfel, Jako,
,, mijn! voegde Jufvrouw JuLiETTExer in gram-
me woede bij. ,, Wij zullen zelve nog hef
portier moeten openen
Ik had mijr>c pantoffel in den gang verloren,
jonge Jufvrouw fprak de floof., en wilde,
toen zij het rolkoetsje in het oog kreeg, dadelijk
naar het portier ijlen.
Haal eerst de parapluie eens, van achter de
trapdeur van daan! gebood de Heer Knuppel-
busch aan de meid, haar terug wijzende. Ziet
,, gij dan niet, hoe hard het regent?. En de jonge
Jufvrouwen hebben hare dansklecdjes aan! zij
,, kunnen, door zulk een weder, niet over de
floep gaan, of worden druipnat.
De meid gehoorzaamde. De Heer Knuppel-
busch begaf zich voor, aan de...”
|
|