Your search within this document for 'kou' resulted in one matching pages.
1

“...i8o DE NEEF VAN CURASAO* hart aan uwen boezem uitftorten. Ik zal u dan kortelijk verhalen, hoe het thans hier gelegen is. - Sinds u vertrek, lieve Betje heeft alles in huis voor mij ene andere gedaante aangenomen. De vliering is weder mijn flaapvertrek; ik lig daar, tegen de- ruwheid van het weder flechts door het pannendak befchut. Mijne tante wendt voor, dat de winter nu voorbij is en de zomer aankomt: of- fchoon' het, gelijk gij ook zult ondervinden, des nachts nog vinnig koud is en fterk vriest. Boven- dien is mij het beddegoed, hetwelk ik, door uwe tusfchenkomst, dezen winter ten gebruike gehad heb, op nieuw ontnomen; en de oude ftroopeluw verftrekt mij weder tot een nachtleger. Hoezeer ik nu in deze gure voorjaarsnachten geweldig kou- de lijd, zoude ik mij dit echter nog getroosten; maar daarbij komt, dat het op de vliering krielt van ratten, van welke ik, gelijk gij weet, een he- vigen, natuurlijken afifchuw heb: zoodat ik dik- wijls, hoe vermoeid ook van...”