| 1 |
 |
“...95
D£ NEEF VAN CURASAO.
mers boven eenen kruidenierswinkel, waar gij
ons gekend hebt; toen er van tijd tot tijd een
neef te onzent verkeerde, di eigenlijk in ht
Stichtfche te huis behoorde, maar wanneer hij
te Amjlerdam moest zijn gewoonlijk regt to
regt aan bij ons zijnen intrek kwam nemen. Mi
gebeurde dit nog al dikwijls ; want de vent','
,, moet gij weten, was een vetweider vani zijn.gkonde uitmeten zondef
,, dat men op de eerfte vijfentwintig vademen
grond raakte; doch het was toen bij ons, gelijk
gij weet, de zoete inval: wanneer hij kwam,
dan ontving mijn Griet hem gastvrij en gul-
hartig, en wij deden hem alle vriendfchap aan.
,, Neef...”
|
|
| 2 |
 |
“...DE NEEF VAN CURASAO. 97
h Het was juist in den zomer, -omtrent den
tijd, dat de Utrechtfche kermis invalt. Ik was
voorheen wel meer te Utrecht doch er nooit
tb P de kermis geweest, en was toch verlangend
,, om eens op den domtoren te klimmen, van
waar - had ik mij laten wijs maken men
met een goeden verrekijker de fchepen in het
,, IJ konde zien. Offchoon wij nu wel van geene
55 pligtplegingen houden, wilde echter mijne vrouw
3* de menfchen niet zoo onverhoeds op het lijf
,, komen vallen, maar hen vooraf fchrijven en
van onze komst verwittigen. Dit deden wij
dan ook, en bragten intusfchen het eene en an-
dere voor neef en nicht in gereedheid, want
met ledige handen wilde mijne Griet niet aan-
,, komen zetten. Maar, ja wel! met. de om-
3 gaande fchuit bekwamen wij eenen brief tot ant>
?5 woord, waarin het heettei neef was op-dit
3 oogenblik geweldig met de heupjicht aange-
,, haald, en nicht had eene Spaanfche vlieg achter
,, het oor, tot verdrijving der...”
|
|
| 3 |
 |
“..., Kiefcher,, teederer
en omzigtiger kon .het nu wel niet. Nogtans
bleef de Jufvrouw in den beginne weigerachtig; zij
maakte vele ve-rfchningen, Hortte tranen van aan-
doening, doch liet zich, na lang en vriendelijk
aanhouden, eindelijk gezeggen en tot aanneming
van het gefchnken bewegen,1 Zij gaf echter te
kennen, dat zij het niet anders, dan als een ge-
fchenk,- ter gedachtenis aan den fegenwoordigen
fchulttogt, konde aannemen. Zij bedankte,- in dit
geval, voor de lieve oplettendheid, die. het geerde
gezelfchap, wel te haarwaarl$ wilde aan den dag
leg-...”
|
|
| 4 |
 |
“... vrouw Griesgram zoo als ik haar,
fchertfenderwijze, gewoonlijk noem, offehoon
zij eigenlijk Barta van Punten heet, heeft
mijne lieve vriendin het nu anderhalf jaar uitgehou-
den. Indien ik u al de harde bejegingen en grie-
vende vernederingen konde verhalen, welke dit
fchijnheilge wijf hare nicht gedurende al dien tijd
heeft doen ondergaan; dan, Koos, zoudt gij van
verontwaardiging gloeijen. De brief van Henrict-
ta, welke hier is ingefloten, moge u er eenig
denkbeeld van geven. Maar, zult gij mogelijk
vra-...”
|
|
| 5 |
 |
“... ik nog eenmaal gedaaij, te
hebben; maar thans blijft al het werk voor mijne
rekening. Van dat .de ochtend graauwt, tot aan den
middernacht moet ik voort, en bij regen, wind en
koude, in de opepe lucht, op de plaats ftaan fehu-
ren en al het grove huiswerk verrigten. Dat ik
nog flechts eenmaal voldoen konde! maar het is
niet anders dan grommen en mij bekijven, wat ik
den ganfehen dag moet hooren; de fmadeiijkfte ver-
wijtingen worden mij toegeduwd. Het heet, dat
ik Jlechts genadebrood eet en blijde mag zijn, dat
M3 ik...”
|
|
| 6 |
 |
“.... Ten overvloede geef
ik u zulks in bedenking, omdat het ligt mogelijk
konde zijn, dat mijne vriendin Schravers die om
zekere reden, hare Mevrouw niet gaarne over deze
zaak wilde fpreken verkeerd gegist had.
Offchoon ik nu Am ft er dam verlaat, wil ik ech-
ter hopen, dat onze eenmaal aangeknoopte vriend-
fchapsbetrekking moge voortduren en niet verwij-
derd worden. Even zoo gaarne als ik u hier te
onzent heb genoodigd, zoude ik u thans voorftel-
len...”
|
|
| 7 |
 |
“...DE NEEF VAN CURAQAO.
ai5
bevond, was er biet meer. Even daarna kwamen
wij liet huis van mijn ouden patroon, den Schout,
voorbij; er brandde licht in het vertrek, alwaar wij
kantoor plagten te houden, zoodat ik door de
glasruiten naar 'binnen konde zien; boven den
lesfenaar, aan welken ik plagt te zitten, hing eene
ftraallamp; een lang en naar het fcheen be*
jaard man ftond voor denzelven te fchrijven; goede
oude! dacht ik wees daar met zoo veel ge-
noegen werkzaam, als ik het was,; en zag naar
de vrouwen, die op den floep zaten, of ik onder haar
iemand van de familie des Schouts konde onder-
-fcheiden; maar ik herkende er geene van. Ein-
delijk waren wij het marktplein genaderd. Ik liet
voor het Wapen van Koever den ftil houden. Tot
mijne verwondering zag ik, dat er andere lieden
in deze herberg woonden; en vernam, dat de oude
van Woningen overleden was, en zijne weduwe
hare zaken aan eenen anderen had overgedaan. De
tegenwoordige kastelein en zijne vrouw...”
|
|
| 8 |
 |
“...a4 DE NEEF VAN CURASAO,
foort van fierheid, blijft bejegenen: niettegen-
ftaande zij wel begrijpen kan., dat het haar thans
zeer kwalijk yoegt, voor mij en mijne gelijken,
,, die immers wel weten wie zij is, de rol van
een onfchuldig meisje te fpelen.
Ik konde Boone niet geheel ongelijk geven,maar.
moest hem bovendien voor de gegevene i inlichting
dank zeggen. ~ Grievend fpijt het mij intusfchen,
dat ik niet-onthouden heb, waar Jufvrouw Gronne
mij gezegd heeft, dat zij als huishoudfter woont;
zij heeft mij den Heer, bij wien zij In die betrek-
king is, opgenoemd; het moet ergens in de Kal-
verftraat zijn; maar deze is zoo uitgeftrekt; waar
zal ik Jufvroiiw Gronne navragen, dewijl het
daarenboven hier te Amjlerdam niets zeldzaams is,
dat men zijne naaste buren niet eens kent. Hoe
zou deze brave vrouw opzien, wanneer zij mijne
ontmoeting vernam en ik, haar mededeelde, dat
Henrictta werkelijk degene is, welke zij reeds
een paar malen in gezelfchap van Mevrouw...”
|
|
| 9 |
 |
“...166 DE NEEF VAN CURASAO,
Maubxts Alt aan Frederik. Renberq.
Zcyenaar den 3den Julij 18 .
Vriend!
Konde ik den postrijder, met wien deze brief
zal vertrekken, vleugelen leenen, ik deed het!
Het is nog geen half uur geleden, dat de uwe mij
werd ter hand gefteld. Hoe kan ik mij genoeg
haasten, om u uit de vreesfelijke dwaling te red
den, waarin eene noodlottige mengeling van fchijn
en wezenlijkheid u geftort heeft.' Frits! uwe
Henritta is onfchuldig!.... Ja, onfchuldig!
rein van de fchande, waarmede gij haar bezoedeld
waant! Vraagt gij bewijs? Lees de brieven,
welke ik hier influit; en tracht, bezweer ik u!
hoe eerder hoe liever, met den fchrijver derzelve,
mijnen neef, kennis te maken. Ik ftel de opgave
zijner woonplaats aan den voet dezes. Ga,
vertoon hem dezen brief, fpreek hem van mij,
en tracht vereenigd alle middelen aan te wenden,
om de ongelukkige miskende op het fpoor te ko-
men tegen wie boosheid en list, door een zon-
der-...”
|
|
| 10 |
 |
“...DE NEEF VAN CURAQAO.
y> Jawel! nog eene achternicht, maar die ik, op
>1 dit oogenblik, niet weet waar geftoven of ge-
- vlogen is.
En deze nicht, Mijnheef! mag ik weten,
van wat plaats en hoe zij genoemd is ?
*> Zij is eene Jufvrouw Dalman; haar vader was
Predikant in zijnen tijd, en ftond te Bertingen,
dat een plaatsje in Gelderland of Overijsfel is.
En gij weet niet, waar deze nicht zich he-
rvindtMijnheer ? en zij is uwe eenige nabe-
ffaande ? Zoudt gij niet wenfchen haar aan te
treffen?
Ja, Mevrouw! ik wilde een zak guldens fchul-
dig zijn, konde ik er maar achter komen, waar
het lieve kind zwerft.
Welnu, Mijnheer van der Stap ik verheug
mij, misfchien in flaat te zijn, u goede berigten
nopens uwe nicht Dalman mede te deelen.
Ei! wat gij daar zegt, Mevrouw! Ik fla
er verfteld van !
Dat de blijdfchap u niet doe ontftellen, Mijn-
heer! wanneer ik u zeg, dat uwe lieve nicht
zich hier te mijnen huize bevindt ; dat zij mij-
ne...”
|
|