| 1 |
 |
“...DE NEEF VAN CURASAO,
rr8
daarmede de oude Heer den Kapitein voortdurend
bejgent, doet den Schipper en; het verdere reisge-
zelfchap zien, dat deze laatlie toch' iemand moet
zijn, dje ng al iets meer in de wereld beteekent,
daii zijn uiterlijk voorkomen wel aanduidt. Hij
fchijnt, de ongure bejegening, hem door den Schip?
per aangedaan geheel te hebben vergeten; er wordt
geen woord van gerept. Maar des te levendiger
is het gefprek, dat ih de roef gevoerd wordt; het
begint met de gewone inleiding: het fraaije weder
en de fchoone gezigten ter wederzijde der vaart;
en wordt allengs door andere onderwerpen afge-
tvisfeld. Straks komt men op het doel der reis en het
vervelende van het acht uren lange zitten in de fchuit,
Het verwondert mij zegt de oude Heer,
die den Kapitein kent, tot dezen, ,, dat UEd,
de reis niet met rijtuig maakt. Ik hoorde gisr
teren, 'dat UEd. hetzelve had aangelegd; en zag
,, uwen nieuwgekochten kap wagen bij den rijtuig-
fchilder liaan.
Ja...”
|
|