Your search within this document for 'her' resulted in 18 matching pages.
1

“...So DE NEEF VAN CURASAO. zijn ? hernam de Heer Knuppelbusch met bevreemding, en voegde er in nen adem bij: Het doet mij plezier dat UEd. thans mijnen ,, zoon Jojakim gefustififigiceerd ziet; doof zulk een misverftand zoude men iemand allerlei gek- heden kunnen aantijgen! Ha, ha! dan is dat uw zoon, die bij mijnen ,, ambtgenoot Twijnmolen als klerk op het kan ,, toor geweest is?.... Ja, ja! nu her- ,, inner ik mij, wel meer van hem gehoord te ,, hebben: hij was meen ik toenmaals, lid ,, van een liefhebberij tooneel, hetwelk daar er- gens in de Vinkenbuurt moet te huis behoo- ren# Juist! om UEd. te dienen. Maar tegen- ,, woordig ig hij al zoo veel weet Ed. ? als de opperfte van het gezelfchap, en hij zal , het nog wel verder brengen. Tusfchen ons, in ,, vertrouwen gezegd! ~~ de groote fchouwburg moet er onder, als mijn zoon zich denzelvenniet aantrekt: daar loopt het hard naar toe. Doch , onze Jojakim heeft gezworen, dat hij geenen , voet op het...”
2

“.... Iemand die in oogenblikken van fpanning, er door heen tast, en moed en geestkracht aan den dag legt, kan wonderen verrigten. Zulk een man is .geld waard. De te voorfchijn getredene beftuurder .geeft eenvoudig den oppasfer eenen wenk; mannen van een vast karakter doen zoo iets met weinigen omflag af, Sjolem! zegt hij, Schla her honder dheur, Ei MO-...”
3

“...'To DE-NEEF VAN CURASAO. Mosis! fchk her mit hen fthok hop, ijsaak! as ze niet whillen fchwijgen. Het his, begot, haltemhaal fchorrimorrie!... falderhappes folk!... j fee vhan de rigchel his het! Dat is van uitwerking! De beweging neemt merk- baar af; er ontftaat ftilte. Alles is op zijne plaats en heeft de oogen naar den kant des tooneels ge- rigt. Hoor!... di&r fpreekt nog iemand overluid. Schwijg toch dhaar hachter! roept eene ftem van uit het orkest. Hut fchirm fthaat hop te ghaan! Nu zwijgt alles; aller belangftelling is gefpan- nen. Rink! klink!,.. daar kondigt het fchel- leqe, voor de tweede maal, de opening ^van het tooneel aan. Er Ontftaat eene golvende beweging -in de gordijn t dit doet derzelver opgang vermoe- den. Gewigtvol oogenblik!. .. het ademt alles hooge verwachting ftilte... men kan eene fpeld hooi en vallen! Daar rijst, plegtig langzaam de gordijn omhoog en het eerfte tooneel des eerften bedrijfs heeft eenen aanvang genomen! Eene...”
4

“...DE NEF VAN CURASAO. ?? What zu het zijn, Menheer von Meseritz ! bntvangt zijn Ed. tot antwoord. Het lhekt hier begot, dhat het regenwather hiemand hin de klheren drhoomt; de menfchen whorden zoo nhat as de khatten !** Het begint ook hier te lekken! roept eene dem. Hier fchijnt het met emmers te gelijk van bo- ven te komen! luidt het berigt van eene andere zijde. Zet her dan photten bonder, om t whater hop te fangen! gelast de voorzittende beduur- der. Ja wel, Mijnheer von Meseritz gij moogt nog wel met potten aankomen. Het baat niet! de fchroomelijke lekkaadje neemt hand over hand toe: er is geen doppen aan. Het raadzaamst is maar, dat de toefchouwers een weinig van plaats veranderen, ten einde zich voor den indroomenden regen te beveiligen. Na eenige verpoozing neemt het derde of laatde bedrijf eenen aanvang. Bravo, bravo! z mag ik het hebben!roept Kapitein van der Stap bij eiken trek, waarmede Vanglenne, in de laatde tooneelen des derden be...”
5

“... dus zegt de binnentredende, wien de ontfteltenis op het gelaat geteekend ftaat, maar die zich van den eerften fchrik aanvankelijk fchijnt her- fteld te hebben. Herftelt u zoo veel mogelijk! Het had erger kunnen afloopen. De wind heeft een gedeelte van het dak verbrijzeld en wegg$- nomen. Dat verfcbrikkelijk geraas werd veroor- zaakt door de brokken puin, die napr beneden Z Horteden, en den trap en ingang hebben ge- flopt. ,.. ir Den...”
6

“...EE NEEF VAN CURASAO* 7i> Den ingang geflopt?... valt eene ftem den fpreker in de rede. ja. Maar niemand heeft eenig letfel er van 5 bekomen. De trap, die naar beneden leidt, is echter voor ditmaal onbruikbaar: er is geene ,, mogelijkheid, het puin en de klompen fteen uit den weg te ruimen; wij zouden er dan ganfchen nacht werk aan hebben. ,* Hoe komen wij er dan uit ? ... 55 Daar hebhen Heeren beftuurderen, die, ten 55 allen gelukke, in hunne vergaderkamer bijeen 55 waren, in hunne wijsheid voor zorg gedragen* Er worden reeds brandladder gehaald; men zal ,, de zolderluiken openzetten; en op deze wijze s, worden de geerde toefchouwers, namens het ,, beftuur des gezelfchaps, vriendelijk verzocht, 55 om voorzigtig naar beneden te klimmen. Hongelikken khotnmen her af! roept eene ftem. ,, Hik khom nooit wher liin filk heeft ,, ferfloekt fpekthakel!... Wie het ongeluk heeft, niet te kunnen klimmen, dus vervolgt de afgevaardigde des beftuurs bedaard. Dien...”
7

“... den fchouwburg ga; maar , dit moet ik zeggen, dat ik het een ftukje naar het leven vond: het gaat maar doorgaans 'z in de wereld! Het moet een Aimme vent geweest zijn, Jan die dat Aukje gemaakt heeft: fakkerloot! dien moet geen lood in de her....”
8

“...laS DE NEEP VAN CURASAO* % Kapitein aanbiedt ja opdringt zelfs, om hetri naar een gefchikt logement te brengen, en aanftonds zohder beding van drinkgeld wordt aangenomen. De twee reizigers dus heeft de Schipper hem ondrrigt moeten morgen ochtend op den post- wagen naar Deventer; dat eene kareitje dddr* is de baas en kan degelijk affchuiven; dat zwartje met die karpoetsmuts, is de knecht. Op dit narigtgaat de kruijer af, en geleidt zijne lieden naar een der logementen buiten d Wittevrouwe poort. De kasteleines aldaar, neemt de reizigers van top tot teen op, en Raat in twijfel of zij hen wel zal her* bergen. Maar op dit oogenblik ontvangt de weg- wijzer zijne fooi; zij ziet een paar zesthalven in zijne hand glijden, en befluit daaruit de welge- fteldheid van den gever. De uitgehaalde beurs des Kapiteins beilist het overige; en den reizigers wordt eene behoorlijke verblijfkamer aangewezen* Den volgenden morgen beftijgen Kapitein van Der Stap en Robbij het...”
9

“...*43 BE NEEF VAN CtmAQAQ. fchap over het terug bekomen, van den hond, ,, wilde hij volfttekt het .reisgezelfchap., .dat' berq, ,, het vermaak 'gedaan had dus lang te/wachten ,, onthalen. Dit Hond den' meestender reisgenoo,-, ,, ten wel aan. De :kastelein moest den bestep. wijn uit zijnen kelder geven.- Er werdlcene j, menigte flcsfchen geledigd. Uw neef betaalde, alles in klinkklaar goudgeld.... . Goudgeld? i.Goudgeld ?-iWat le-^ Hoe hangt dit te zamen *en bedelaar eii *a. ^ goudgeld... Een bedelaar ?... Wie zegt dat-? ,, Vrftond ik ftfaks niet.,'dat hij zoo hitter 'ar-* moedig in de noppen was?? :: / Ha Zo!... Ja wel, Maar ik vergat er bij te Voegen, "dat hij Hechts, vood;de leus erzoo, pover uitzie. Hij Zal zich namelijk bij ,u ..vo.or een armen hals uitgeven. Doch-geloof hem niet. Hij doet dit y in vertrouwengezegd, om u.-op de proef te Hellen. Hij is intusfehen fchatrijk. Ik hoorde -gisteren door eenen -Her inde fchuir;,' zijn vermogen Op...”
10

“... Punter binnen..... Zij waren den Rubicon overgetrok* ken! \ur.< Aandonlijk was.. J < Neen Lezer!. ik onder-* neem niet, u het tooneel der ecrfle ontmoeting eii her-...”
11

“...DE NEEF VAN CURAQAO. 159 de pastorij thee .drinken. -Het trof toen zeer toe- vallig dat Henrxtta met wie gij zoo gaarne kennis hadt gemaakt, zich juist van huis bevond. Als gij het u nog te,binnen brengt: hare moeder verhaalde, dat zich dien morgen' onverwacht de gelegenheid tot het doen van een pleizicrreisj'e had opgedaan, en HenriStta met de familie van den Schout voor eenige dagen naar het Bentheimfche was gegaan. Het fpeet ons toen ongemeen, dat gij .elkander niet hadt ontmoet, te meer, daar HenriStta £ iet vr uw vertrek van haar uitftap- je, ftond terug te komen. Ook zult gij u nog her- inneren. v. Dan genoeg! gij zult na deze wenken reeds begrepen hebben welk meisje ik bedoel. Over. deze vriendin wil ik u thans onderhouden. Gij moet dan weten, lieve Koos! dat nu ruim anderhalf jaar geleden, de ouders van Henrietta , kort na elkander overleden zijn. Als ik mij niet bedrieg, heb ik u te dier tijd met een woord iets daarvan gemeld. Het is echter ligt...”
12

“...DE NEEF VAN CURAQAO. 213 .zelfden dag, met mijn regement, de grenzen van ons vaderland en daarmede Duitsshlands bodem had bereikt. Verplaats u nu voor eene wijl in mij- nen toefiand, vriend! en befef welke aandoeningen er in mij omgingen, nu ik mij na vijf rampfpoedige jaren, behouden en vrij, op deze eigene plek hervond! Het is waar: vijf jaren flechts waren er finds dit mijn laatst bezoek aan Bertingen verloo- pen; doch, wat was er niet al in dat korte tijdsbe ftek voor mij gebeurd! daar tusfchen beide lagen jRw/tfdj-flagvelden, de bloedftroom der Berezina , mijne krijgsgevangenfehap in de woestijnen van Si- beri, en de herftelling van Nederlands onafhanke- lijkheid Houd mij dezen uitftap op het veld des geheugens intusfehen ten goede; daar het her- denken van die oogenblikken voortaan tot de fchoon- fte herinneringen mijns levens behoort. Ik ga 11 van mijne aankomst .te Bertingen verhalen. Na mijne verbeelding, op den bewusten heuvel- top eenige oogenblikken...”
13

“...DE NEEF VAN CURAgAO. *49 Om mij niet bij het min belangrijke op te hon- den, meld ik u alleen, dat ik den nden dezer van Utrecht ben vertrokken; en reeds den volgen- den dag mijnen dienst hier bij de kompagnie ver- rigtte; dat ik mij twee kamers binnenshuis heb ge- huurd; in de nabijheid der kazerne en bij zeer ge- fchikte lieden inwoon. Vergenoeg u bij voorraad jnet deze korte, huisfelijke narigten. Ik zal tot. eene andere, ftofFe overgaan, Ik was naauwelijk zes dagen te Amflerdam ge- dweest toen .ik op eenen morgen langs de Keizers- gracht gaande, eene welgekleed vrouw ontmoette , die ik mij, bij den eerden oogopflag, dadelijk her- innerde meer gezien te hebben en te moeten ken- nen. De oplettendheid waarmede ik haar aanzag , .wekte hare opmerking; zij nam,mij, wederkeerig, met eenige aandacht op; doch herkende mij in den beginne niet; zij fcheen echter in twijfel te ftaan, of zij mij wilde aanfpreken ; ik kwam haar voefr, en wie denkt gij was de oude bekende...”
14

“...DE NEEF VAN CURASAO. 263 Palonnier. te gelijken tijd toebereidfelen maakte, om eene ftraallamp, welke zij op de tafel zette, te ontfleken, Voor de eerfte maal in mijn leven yond ik mij thans genoodzaakt, om lach niet, vriend! het licht te fchuwen, daar ik vreesde, bij het ontfteken der lamp door Henritta her- kend te kunnen worden. Tot hiertoe was ons be- zoek wel afgeloopen; eene herkenning tusfchen ons had tot ernftige tooneelen kunnen aanleiding geven; om alle ontmoetingen van dien aard te ver- mijden, ftond ik op, gaf ook Boone eenen wenk, 1 en onder voorwendfel, dat'wij ons, be- leefdheidshalve voor den binnenkomenden die een fatfoeplijk gekleed, jong Heer faas, verwij- derden groeteden wij de vrouwen en vertrokken, gelijk wij gekomen waren... neen! - ik, van Henrittas diepen, onherftelbaren val overtuigd, en met het pijnlijk gevoel in het hart, dat zij voor altijd voor mij verloren was, Nu hebt gij met uwe eigene oogen gezien en bijgewoopd, wat gij...”
15

“...D NEEP VAN CURASAO. a6j derlingen zamenloop van omffandigheden begun- ftigd, fchijnen te hebben zamengzworen Doch, dat behoef ik u ook niet te zeggen! uw eigen ge* voal zal genoeg aandrijven, otn dgn fchromelij? ken misflag, dien gij, onwetend, jegens de arme Henrietta begingt, naar w vermgen te her- ftellen. Vriend! hoe vVas het mogelijk, dat gij haar, die uw hart zoo dierbaar was, een oogehr blik kondet miskennen !,.-.. Dan, wat vraag ik! gij waart door den noodlottigften fchijn vervoerd! en ook ik zou, in hetzelfde geval, in uwe dwa- ling gedeeld en mijn hart aan de misleiding des yerftands ten offer gebragt hebben. --- Mogt gij intusfchen uwe beminde HenrictTa weldra we- dervonden. Meld het mij, bid ik u, onverwijld, zoodra gij haar op het fpoor zult zijn. Maar Jm- flerdam is zoo groot! wie vVeet waar zij zich thans bevindt! waar zult gij haar navragen! Ach! piogehjk is het reeds te laat, en houdt zij, door ongeluk op ongeluk vervolgd, zich piet meer in de...”
16

“...DE NEEF VAN CURASAO; 3^i zoo vroom en gemoedelijk mensch waart. Hoor,' ,, ik ben en zondig mensch, een ruwe zee- rob, en Wenschte fomtijds wel, dat het be- ter met mij gefield ware; maar voor zulk een ,, fort van vroomheid, als gij de menfchen in de ,, hand flopt, hoop ik al nlijn leven bewaard te blijven: want die is louter kwikj Hebt gij 9i kennis aan dezen brief? Jufvrouw van Punten fchof met haren floel een aanmerkelijk eind wegs ter zijde, toen de Ka- pitein haar den gevondenen brief van zijne nicht Dalman onder den neus hield. $, Wat ?... riep zij verwonderd uit: Deze brief? Ach! die brief, vervolgde zij, zich flraks her- vattende: ,, behelst niet dan logens, altemaal ,, fehandelijke logens! Ik heb lang naar dien fraai- ,, jen brief gezocht, neef! terwijl gij hier waart; om u daaruit te kunnen aantoonen, welke fchaam-* j, telooze voorwendfels die ondeugende meid ver- dichten kon. Stoor u toch aan dat vuile laster- fchrift niet! Sakkerloot...”
17

“...DE NEEF VAN CURASAO, SiJ wijl ook des Stuurmans echtgenoote met hare zus- ter naar voren komt fchieten: Kom binnen, kom binnen! Maar, wat bamekater! komt ,, gij daar met u beiden zoo te voet aanzetten ? ,, En hoe hebt gjj het al zoo op uwe Deven- ,, terfche reis gehad V* vraagt Jufvrouw Prouwel- ,, man, terwijl Zij zich gezamenlijk naar binnen begeven, en Lobbetje den kruijer betaalt, die des Kapiteins koffervalies gebragt heeft. Dat fchikt vrij wel! zegt Kapitein van der Stap, op de herhaalde vragen der vrouwen: Wij ,, hebben ons nog al tamelijk wel vermaakt; be- halve dat wij, daar zoo even de Rad inkomen- de, er bijna' den hals bij ingefchoten hadden. ,, Beware-de Hemel! Is het mogelijk! En hoe kwam dat dan ?... vragen alle drie als in nen adem te gelijk. ,, Laat mij een weinig tot bedaren komen; dan zal ik u dat eens, in den haak, vertellen, her- vat de Kapitein; en terwijl men zich zet en Juf- vrouw Prouwelman intusfchen koflij en likeuren op...”
18

“...DE NEEF VAN CURASAO. 333 Het verbaal dan, hetwelk zij thans uit de ge- fchiedenis der lotgevallen van Jufvrouw Dalman mededeelde, behelsde nagenoeg de volgende bijzon- derheden. Het was in den vroegen ochtend van den 22ften Mei geweest, dat Jufvrouw Dalman , Hechts van een pakje met het noodig lijflin- nen en hare tasch voorzien, bij het krieken van den morgen,, het huis hare? tante van Punten verlaten, en zich ingevolge affpraak, des avonds te voren met de huisbewaarfter van den Heer Hoog- brAnd gemaakt, op- weg naar, het nabij gelegen dorp Twello begeven had; alwaar een zwager van deze vrouw, op eene hofftede van den Heer Hoog- brand woonde die Jufvrouw' Dalman min of meer gekend had, als hebbende haar te voren wel eens in het gezelfchap van Jufvrouw Engener ontmoet. Zeer vroeg in den morgen Hond aan het huis van dezen landman gekomen zijnde., had zij aldaar eenen brief aan hare tante gelchrevn^ welke Kapitein van der Stap zich dadelijk her- innerde 'dat...”