| 1 |
 |
“...*56 DE NEEF VAN CURAQAO.
55 pitein Heijden gisteren, aan tafel dat bekoor-
5> lijke fchilderijtje ophing?
Boone wat zegt gij daar ?
Verwondert u dat? Pah! ik heb er meer
gekend, die in den beginne zulke heilige boon-
tjes waren; doch meent gij, dat ik mij daardoor
laat verfchalken? wie zou het achter dat madon-
nas gezigtje gezocht hebben, niet waar ? Ja,
si vriendje! ik ftond er zelf van op te kijken, toen
si ik het nufje voor de eerfte maal bij mama Pa-
5, lonnier ontmoette ; het plagt immers al teeder
5, en vroom te zijn wat er aan was! Ha, hal
eene fraaije zeldzaamheid op mijne eer! zulk
een Domins duifje !
Maar, het kan ook welligt een meisje zijn,
,, dat fprekend op Henrktta Dalman gelijkt,
zeid ik, denkende aan hetgene Jufvrouw Gronne
mij had verhaald.
Ja! wel bekome u de maaltijd! Of ik haar
5, niet zelve gefproken en herkend had! Neen,
,, neen! het was Henrietta Dalman maar al te
wel.
Zelve gefproken en herkend, zegt gij?
Ja! voor den...”
|
|