| 1 |
 |
“...VIII
VOORBERIGT.
zich, in een verloren oogenblik, ter nederzet, o/
fltf rooken.
' 3 . r-n.'n'jH':A' ut
£ wensch overigens dat mijne Lezers zich met
dit boekske mogen vermaken, en de lektuur er van
hun ft rekke tot eene even aangename verpoozing,
als mij de vervaardiging van hetzelve menig, an-
ders verloren fnipperuurtje gezellig heeft doen
flijten.
J. B. Christemeijer.
Utrecht,
#4 November 182s.
DE UITGEVER AAN DEN LEZER.
Gaarne hadden wij, ingevolge het itizigt van den Schrij-
ver dezes werks, hetzelve mei zijne luimige en tevens ern-
ftige vertelling: Lodewijk Knop en zijne ontmoetin-
gen, te vinden in euphonia 1821, verrijkt, indien deze
zijn neef van Curasao niet zoo zeer, tot ons genoegen ,
v/as uitgeloopen, welk verhaal ons voldoende voorkwam om
onzen land gemot en afzonderlijk aan te bieden zoo als wij
doen bij dezen ; terwijl wij geenszins twijfelen dat in eenen
volgenden bundel van den Heer Christemeijer, zijn
Lodewijk Knop met graagte zal worden...”
|
|
| 2 |
 |
“...\
DE NEEF VAN CURASAO. as de lhompert
,, wheet, what heen knap miezijkant thoekomt!
gromde de orkestmeester, die twee violisten, een
klarinetfpeler en eenen keteltromflager onder zijn
kommandement had.
,, Robbetje hadt gij nu de vedel medegebragt,
dan kondt gij muzijk helpen maken, merkte
Prouwelman aan.
55 Zeg eens, vriendje! zei van der Stap ,
den bol in het rond kijkende, tot...”
|
|
| 3 |
 |
“...DE NEEF VAN CURASAO. tfp
zegt van der Stap, blozende van verontwaar-
diging.
Spotternij zegt Ed.
Ja! In het rijmpje ftaat van ten achtbaren
tempel. Dat gelijkt nu immers nergens naar,
het komediefpelen op de kerk te pas te bren-
30 Sen---,
Klink, rink, klink!... liet waarfchuwend fchel-
letje geeft het fein tot algemeene ftilte en aandacht.
Stilte!... Zitten dddr!.. Hoeden af! Ja
wel! hoor mij zulk een vreesfelijk geweld eens!
hoor dat gefchreeuw en gedruisch! Er is geen
bedaren aan. De rollezer komt van zijne plaats
te voorfchijn.'
Hik whaarsebjauw het geheerd piebliek for de
y. lhaatfte mhaal! dus luidt s mans ernftig
vriendelijke toefpraak. As jelhui niet bedhaart,
kennen we honmochelich ftbaan te beghinnen.
Maar neen! het baat niet. De toefchouwers
hooren hem niet eens. Het is, of het geweld
zelfs verdubbelend toeneemt. De ganfche gehoor-
zaal ftaat op een eind. In dit oogenblik treedt
een der beftuurderen uit zijne loge te voorfchijn...”
|
|
| 4 |
 |
“...'To DE-NEEF VAN CURASAO.
Mosis! fchk her mit hen fthok hop, ijsaak!
as ze niet whillen fchwijgen. Het his, begot,
haltemhaal fchorrimorrie!... falderhappes folk!... j
fee vhan de rigchel his het!
Dat is van uitwerking! De beweging neemt merk-
baar af; er ontftaat ftilte. Alles is op zijne plaats
en heeft de oogen naar den kant des tooneels ge-
rigt. Hoor!... di&r fpreekt nog iemand overluid.
Schwijg toch dhaar hachter! roept eene
ftem van uit het orkest. Hut fchirm fthaat hop
te ghaan!
Nu zwijgt alles; aller belangftelling is gefpan-
nen. Rink! klink!,.. daar kondigt het fchel-
leqe, voor de tweede maal, de opening ^van het
tooneel aan. Er Ontftaat eene golvende beweging
-in de gordijn t dit doet derzelver opgang vermoe-
den. Gewigtvol oogenblik!. .. het ademt alles
hooge verwachting ftilte... men kan eene fpeld
hooi en vallen! Daar rijst, plegtig langzaam
de gordijn omhoog en het eerfte tooneel des
eerften bedrijfs heeft eenen aanvang genomen!
Eene...”
|
|
| 5 |
 |
“...DE NEF VAN CURASAO. ??
What zu het zijn, Menheer von Meseritz !
bntvangt zijn Ed. tot antwoord. Het lhekt hier
begot, dhat het regenwather hiemand hin de
klheren drhoomt; de menfchen whorden zoo
nhat as de khatten !**
Het begint ook hier te lekken! roept eene
dem.
Hier fchijnt het met emmers te gelijk van bo-
ven te komen! luidt het berigt van eene andere
zijde.
Zet her dan photten bonder, om t whater
hop te fangen! gelast de voorzittende beduur-
der.
Ja wel, Mijnheer von Meseritz gij moogt
nog wel met potten aankomen. Het baat niet! de
fchroomelijke lekkaadje neemt hand over hand toe:
er is geen doppen aan. Het raadzaamst is maar, dat
de toefchouwers een weinig van plaats veranderen,
ten einde zich voor den indroomenden regen te
beveiligen.
Na eenige verpoozing neemt het derde of laatde
bedrijf eenen aanvang.
Bravo, bravo! z mag ik het hebben!roept
Kapitein van der Stap bij eiken trek, waarmede
Vanglenne, in de laatde tooneelen des derden be...”
|
|
| 6 |
 |
“...DE NEEF VAN CURASAO.
Daar ..'hebt'igt; toch niet wel aan gedaan als
ik het zeggen mag. Had ik zulk ehen neef,
ik zoude'hem-wel e Vriend houden;'dat verze-
kef ik 'r' " 1 .....
Wat zegt gij daar; Jufvrouw Schlk,
- -Dat ik hm wel hadrkkhjfe te vriend zoude-
Houden. uiL;1 Hij heeft, gedurende de reis, het,,
ganfche gezelfchap vermaakt. Wij 'hebben ons ,
in- den postwagen,'ter 'dege vrolijk gemaakt...
i;; Ach! ik hoor het al. Gij zijt in best Amfter-
damfche Baifln geweest, en in die afgodifclie
-ftad tbt' ijdeltuiterij vervrdY : " an ..
Nu! ik durf wedden, jufvrouw van Ponten!
dat-uw .gezigt ook uit de plooi zou. geraakt
zijn als gij al de grappen van uwen neef op
',-'d: ris' had bijgeWofldi fianra^as^s v/ii f.
Spreek mij toch'Inlet. Van eeneh.heef,: .juf?
,, vrouw! Ik zeg u, zulk ieen kind der'helle' hft
geen deel- aan mij.- -wW Ik-1 hoor wel), die post
^ Wagen- is daar regt eene dijnagege des -fatanS-g^
wcst. Was ik er tegenwoordig geweest, 'dan...”
|
|
| 7 |
 |
“...Jia DE NEEF VAN CURASAO.
bet genoegen hebben, u te eten te verwachten?
Sakkerloot! zeg, ja zonder pligtplegingen !
n Wist ik Hechts, dat de tijd mij zoude toelaten,
van uwe uitnoodiging gebruik te maken.
Maar, ik hoop toch, in alle gevallen, naar uwen
welftand te komen zien.
Wel! dan zult gij mij, moet ik zeggen, uit-
ftekend veel pleizier doen. Maar kom mij dan
een weinig vroegtijdig opzoeken: opdat wij on-
y> ^er een g^as morgenwijn de gemaakte vriendfchap
9, nader aanknoopen.
. y> Met vermaak! Hoe laat zal ik het genoegen
hebben u te huis....
a? Ten twee ure of half drie, gaan zij, gewoon-
55 lijk 5 bij mijnen vriend Prouwelman aan ta
.55 fel 5 derhalve hoop ik u tegens 'een ure te zien.
En nu, vaarwel, Mijnheer Renberg! tot we-
derziens op morgen!
*5 Mijnheer van der Stap ik blijf uw onder-
55 danigen dienaar en houd mij in uwe vriendfchap
bevolen!
Daar zijn wij er! zegt Kapitein van der
Stap bij zijnen vriend Prouwelman ten huize in-
tredende...”
|
|