| 1 |
 |
“...-
trenzen. Alle vervoer toch heeft ook hier per water plaats en
te water wordt het riet in groote ponten naar de molen gebracht.
Daartoe dienen de breede vaartrenzen, die aan beide zijden
door dijken begrensd zijn. Aan den overkant van die dijken be-
vinden zich dan de hoofd-loos-trenzen, die het water op-
vangen uit de dwars trenzen, deze weer uit de kleine trenzen
en uit de trekkers, de allerkleinste en minst diepen van allen.
Al die trenzen staan rechthoekig en op bepaalde gelijke afstan-
den van elkaar, zoodat men zich niets kan voorstellen regelmatiger
dan een suikerplantage. ' De reden waarom vaar- en loostrensen zoo
nauwkeurig moeten gescheiden blijven is omdat in de eersten altijd
genoeg water voor de vaart moet zijn, vaak geen gemakkelijke zaak
in den drogen tijd, wanneer men er wel eens noode toe moet
overgaan om brak rivierwater binnen te laten; terwijl de loos-
trenzen die voor water-afvoer bestemd zijn, op laag peil
moeten gehouden worden. Het op behoorlijke diepte...”
|
|