| 1 |
 |
“...( 7 )
betredene standpunt naar vermogen ter zijde te
staan, en haar luide wederklank te wezen in het
midden des volks; de schoone taak om, zoo ver haar
invloed en hare middelen reiken, allen te doordrin-
gen van de deugdzaamheid, de loffelijkheid, de
plichtmatigheid van het nu eenmaal aangenomen
beginsel, en van de onvermijdelijkheid van zijne
spoedige verwezenlijking.
Het opheffen van billijke bezorgdheden, het over-
eenbrengen der strijdige belangen is eene taak die
wy geheel en veilig aan hare wijsheid en rechtvaar-
digheid kunnen overlaten. Onze Maatschappy heeft
de volkomene overtuiging dat, gelijk zy zelve, de
Regeering geene andere vrijlating der slaven wil
dan //eene waarlijk heilzame;// dat is in de eerste
plaats eene zoodanige, waardoor ten opzichte van
den ongelukkigen medemensch de laatste dwaling
niet erger wordt dan de eerste. Zy weet dat, ook
hierin met haar eenstemmig, de Regeering deze
vrijlating niet wil met krenking van iemands we-
zenlijk recht...”
|
|
| 2 |
 |
“...( 10 )
opheffing door het menschlievende hart als de
wenschelijkste zaak te doen beschouwen, daar ge-
doogt de fierheid van ons menschelijk gevoel geen
andere herinnering dan deze: Zoo lang de Vrij-
heid het hoogste en dierbaarste goed des menschen
zijn zal, zal de Slaverny zijn diepste vernedering
en zijne vreesselijkste ellende wezen.
Gy vergt my niet, mijne Hoorders! Nederlan-
ders, gy vergt my niet de waarheid van deze stel-
ling te betoogen! Uit te weiden over de waardy
der vrijheid in een land, dat met recht als de
kweekplaats der vrijheid mag worden beschouwd,
en voor eene bevolking, op eigenen bodem, van elke
gezonde toepassing van het vrijheidsbeginsel zoo
naijverig! Wat is het dan dat de oogen van som-
migen verduistert, dat de harten van Nederlanders
vergeten doet te kloppen, waar het de vraag is
van de bevrijding van veertigduizend medemen-
schen, levende onder de nederlandsche wet ? Is
het de verre afstand aan de overzijde van den at-
lantischen...”
|
|
| 3 |
 |
“...
krachten, de opgewektheid van zijnen slaaf alles
gelegen is; dat de arbeid op zich zelven een voor-
recht is en een zegen; dat de slaaf, in slaverny ge-
boren en aan slaverny gewoon, de zedelijke waar-
de der vrijheid nimmer gekend heeft, en onmo-
gelijk kan beseffen; ja, dat hy zich den zegen
van dat heerlijk goed niet anders voorstelt dan in
den vorm eener slordige ledigheid, dien vloek voor...”
|
|
| 4 |
 |
“...{ 23 )
Doch mijne Hoorders! de Beschaving heeft meer
dan éénen eisch. Zy begeert niet slechts haren kring
uit te breiden en een altijd grooter aantal volkeren te
omvatten ; evenzeer verlangt zy by de volkeren die met-
terdaad onder haren gezegenden. invloed zijn , haar
werk van dag tot dag voort te zetten en te volmaken.
En wat haar in de bevrediging van dit edel ver-
langen tegenwerkt of teleurstelt, dat komt haar met
reden dubbel hatelijk voor. Welaan, mijne Hoor-
ders ! het zij verre van my op de blanke bevolking
onzer Westindische Bezittingen een smaad te wer-
pen waartoe niets my roept of het recht geeft; maar
de vraag is geoorloofd en verdient een eerlijk and-
woord: niet of haar maatschappelijke toestand reeds
dien trap van beschaving, reeds die hoogte van
ontwikkeling bereikt heeft waarop de europeesche
maatschappy zich bevindt, hetwelk niemand lichtelijk
beweren zal; maar of niet tegen elke vordering, of niet
tegen het doen van iederen eenigzins...”
|
|
| 5 |
 |
“... Christus. Het zij
zoo; maar om ook ons tot deze overtuiging te bren-
gen , moet gy haar recht bewijzen uit dat Woord
van God, waaraan de geesten moeten getoetst wor-
den of zy uit God zijn. Het is thands zoo verre ge-
komen , dat. het geenszins de vraag meer is of de
voortduring der Slaverny verdedigd kan worden
door het stilzwijgen van de Heilige Schrift over de
plichtmatigheid van hare opheffing. Ons christelijk...”
|
|