| 1 |
 |
“...( 9 )
ter uitvoerigheid dan kieschheid of menschelijkheid
zouden verlangd hebben. Wy wenschen de goede
zaak, die wy voorstaan, niet bloot te stellen aan een
hetzij billijk of onbillijk verwijt van overdrevene
voorstellingen op onkunde of partydige berichten ge-
grond. Niet naar hetgeen, volgens den aart van het
treurige stelsel, altijd plaats hebben kan en gedurig
plaats hebben moet; niet naar hetgeen somtijds,
niet naar hetgeen menigmaal geschiedt, willen wy
den toestand der nederlandsche slaven beoordee-
len. Veel liever willen wy aannemen dat hunne sla-
verny, de dragelijkste, de begeerlijkste heeten
mag van al wat ooit op aarde slaverny genoemd
en geweest is. Komt, laat ons gelooven, hetgeen
ons door de slavenhouders zelve verzekerd wordt,
dat niet slechts op de eilanden, maar ook op het
vaste land, niet alleen in de stad, maar ook op
het veld, niet slechts in enkele maar op alle plan-
taadjen, met opzicht tot de zwarte bevolking, door
enkel rechtvaardigheid...”
|
|