| 1 |
 |
“... oceaan? Is het de kracht van tijd en
gewoonte, die het gemoed met het schrikkelijk
denkbeeld hebben weten te verzoenen? Is het
onverschilligheid voor het lot van stervelingen van
een ander volk en van eene andere kleur? Zou
het kunnen zijn de kracht en het uitwerksel van
drogredenen en voorstellingen, zoo dikwijls her-
haald, dat ten laatste metterdaad het zedelijk ge-...”
|
|
| 2 |
 |
“...( 37 )
geen moeielijkheden, door geen opofferingen,
Iaat bewegen dat denkbeeld op te geven of dien
weg te verlaten, maar dien met een oog op God
blijft betreden tot den einde toe.
Neen voorzeker, mijne Hoorders! dit Neder-
land, de klassieke ■ bodem der vrijheid in iederen
zin; voor alle ongelukkigen, voor alle verdrukten de
toevlucht van ouds her; dit Nederland, in mensch-
lievendheid, in beschaving, in godsdienstzin by
andere natiën niet achterlijk; waar het Woord
Gods nog in eere is, en in de berekening van
nationale baten en schaden de zegen en de vloek
des Heeren, zoo wy hopen, nog medetelt; dit
Nederland zal niet altijd, zal niet lang meer achter
blijven, waar anderen zijn voorgegaan. Met de hand
op haar Bijbel en het oog naar boven, zal de
Nederlandsche Natie kalm en wijs datgene ten
uit voer brengen, wat elders-, in de hitte der vrij-
heidskoorts, klakkeloos en met onbezonnenheid ver-
richt is. Op den vollen middag der 19de Eeuw
zal zy niet, met open oog...”
|
|