Your search within this document for 'Europa' resulted in four matching pages.
1

“...( 18 ) deze Negers te beschaven? Voorwaar, dit zou al te onhandig uwe onbekendheid met de geschiede- nis , den aart, en de vatbaarheden van dit volk verraden. Of vergeet gy geheel wat deze afzich- telijke Afrikaners, wat dit gruwelkroost van Cham was en is in zijn oorspronkelijk vaderland? Welk eene barbaarschheid; welk eene stompheid; dier- lijke wellustigheid; meer dan dierlijke wreedheid. Waar gy gaat, nergens zult gy by het heidendom het bygeloof gemeener, de afgodendienst bloedi- ger, de zeden schandelijker vinden. Voorwaar, die door gantsch Europa verfoeide slavenhalers zijn, zonder het te weten, voor dit diep gezonken ras de ware, de eenige menschenvrienden geweest.5 Het hoogste dat door dit volk bereikt kon worden, ver- mocht het slechts te bereiken, het uiterste waartoe het in staat was, daartoe is het in staat gesteld door die zelfde Slaverny, waarover averechtsche menschenvrienden in deze laatste tijden begonnen hebben het hoofd te schudden. En veel is...”
2

“... zeventig graden alle noemenswaardige ontwikkeling ontzegt.// Mijne Hoorders, dit is ongeveer dezelfde taal, die reeds in het laatst der vorige eeuw overal en tot in de verlichtste staatsvergadering van Europa gehoord werd, toen alle krachten moesten worden ingespannen om den volgens deze beschouwing eeni- gen waren vriend van den Neger, den verschrikke- lijken slavenhaler, by het werk zijner onwillekeurige 2*...”
3

“...( 29 ) Apostelen een duidelijk gebod gegeven, of eene dadelijke poging gedaan hebben tot Opheffing der Slaverny by het volk van Israël of in den Ro- meinschen Staat. Ook kunnen wy de moeielijke taak van de hand wijzen onze godsdienstige voor- vaderen of te beschuldigen of te verdedigen, dat zy, de landen der heidenen betreden hebbende, zich daar hebben begeven tot hetgeen waarvan zy in hun vaderland zouden gegruwd hebben; dat zy het slavenjuk hebben opgelegd, den slavenhandel gedreven, en voor het onchristelijke van beiden blind geweest zijn. De Geest des Christendoms, tegen welken het stel- sel der by hen bestaande slaverny by geen der on- der zijnen invloed geheel beschaafde volkeren van Europa is bestand geweest, heeft niet kunnen beletten dat de ontdekking eener nieuwe wareld, aan de overzijde van den Oceaan, in nieuwe en grootendeels van de bezielende levensgemeenschap met de christelijke moederlanden afgesnedene maat- schappyen, eene nieuwe en afzichtelijker...”
4

“...( 30 ) regeeringen, is hy er ten laatsten in geslaagd ze ge- voelig, ze wakker te maken ook op dit punt. En in deze onze negentiende eeuw is, met al den na- druk die het gevoel van een plotseling ontwaken uit eene te lange sluimering geeft, het woord uit- gesproken , de kreet gehoord, eerst: geen slaven- handel meer ! daarna: en ook geen slaverny ! Wy weten dat deze kreet ook daar opgevangen en herhaald is, waar het niet slechts om de opheffing van het juk der dienstbaarheid, maar om de weg- werping van alle, ook van de gezegendste banden te doen was. Maar dit is noch de eerste noch de eenige maal geweest dat de Geest der Wareld zich eene leuze heeft gemaakt van hetgeen door den Geest van Christus met allen ernst werd ge- predikt, en op den weg zijner ongerechtigheden met weldaden gepronkt, die slechts in zijne handen verkeerden in een vloek. — Genoeg, M. H.! wy zien het beginsel der Slavenbevrijding by de be- schaafdste natiën van Europa als een goed en heilig...”