Your search within this document for 'tal' resulted in three matching pages.
1

“...34 BESCHRIJVING VAN om het dier eenen paardeharen ftrik over den kop te werpen, en alzoo te vangen. Men breekt dezelve dan de pooten, en voert hen levend naar de ftad te koop; en inderdaad, hun vleesch, (de kop, ftaart en klaauwen worden weggeworpen) heeft eenen fijnen fmaak, naar vet kalfs- of hoender vleesch ge- lijkende. De Leguaan behoort, volgens dau- benton tot de 4de klasfe No. 16. De blaauwe of blaauwftaarcige Hagedis, (queue bleue, 4de klasfe No. 3) de hemels blaauwe, (Azure ade klasfe No. 3) de Totekki, een klein diertje, dat de pannen der daken en de muren bewoont, nevens een aan- tal andere Hagedisfen, worden hier gevonden. Onder deze is de klevende Hagedis, welke zich aan het lijf hecht, moeijelijk en niet zonder pijn 4os te rukken. Zee- en landfchilpadden zijn op Curasao, en vooral te Bonaire, zeer talrijk. De eer- fte vooral leveren een lekker en gezond voed- fel op. De caret-fchilpad is er ook, doch niet zeer algemeen. Het gevogelte is op dit...”
2

“...HET EILAND CURASAO. 39 De verdere fpinnen zijn niet gevaarlijk, be- halve de kleine oranjefpin, die zich onder het gras, fomtijds ook onder de jamaicaboomen, verbergt. Hare beet veroorzaakt eenen on*, leschbaren dorst; voldoet de lijder daaraan, dan is hij doorgaans fpoedig een lijk. De paarden en koeijett, ongelukkig zulk een dier- tje inzwelgende, moeten het dikwijls met den dood bekoopen. Jegen de beet der oranjefpin, die zich on- der het gras verbergt, is niets beter, dan den lijder fpoedig tabakswater in te geven, zijnde het eenigfte tegengift, om fpoedig het vergift uit te braken, wanneer men doorgaans binnen wei- nige dagen herfteld is. Aan de koeijen, paarden enz., doet men limoenfap ingeven, waardoor zij, bij fpoedige hulp, gered worden. Rupfen en kapellen zijn hier niet zeer tal- rijk noch fraai, alleen de groote Oleander rups uitgezonderd, die fomtijds 6 duim lang, 1 duim in den omtrek en zes en dertig geledin- gen heeft, beurtelings oranjewit en...”
3

“...$a BESCHRIJVING VAN niet, en ook niet veel vliegen, zelfs bijna gee- ne vlooijen; hoofdongedierte, vindt men daar- entegen bij de negers en kleurlingen vrij tal- rijk, Maar een zeer plagend infekt voor de viervoetige dieren bijzonder voor paarden, koeijen en honden, is de Kar path, zijnde eene foort van fchapenluis, met zes pooten, en een rond ligchaam. Deze infekten kwellen die dieren geweldig, door hun het bloed uit te zui- gen zoodat zij vermageren, kwijnen en niet zeiden fterven. Zij vallen fomtijds ook de mnfchen aan. De zoogenaamde vuurvlieg is hieF menig- vuldig, vooral in den regentijd. Het helder fchijnfel van dit kleine vliegende diertje is vermakelijk; het wijfje heeft geen fchijnfei noch vleugelen. Gewone en zwarte mieren, vindt men bijna overal, vooral in oude huizen, Van de wes- pen heeft men drie foorten. De eerfte bouwt zich een vierkant nest in den grond. De twee- de (guepe mag ome') hier mart bomba ge- naamd, een kunftig bordpapier gelijkend...”