| 1 |
 |
“...$a BESCHRIJVING VAN
niet, en ook niet veel vliegen, zelfs bijna gee-
ne vlooijen; hoofdongedierte, vindt men daar-
entegen bij de negers en kleurlingen vrij tal-
rijk, Maar een zeer plagend infekt voor de
viervoetige dieren bijzonder voor paarden,
koeijen en honden, is de Kar path, zijnde eene
foort van fchapenluis, met zes pooten, en een
rond ligchaam. Deze infekten kwellen die
dieren geweldig, door hun het bloed uit te zui-
gen zoodat zij vermageren, kwijnen en niet
zeiden fterven. Zij vallen fomtijds ook de
mnfchen aan.
De zoogenaamde vuurvlieg is hieF menig-
vuldig, vooral in den regentijd. Het helder
fchijnfel van dit kleine vliegende diertje is
vermakelijk; het wijfje heeft geen fchijnfei
noch vleugelen.
Gewone en zwarte mieren, vindt men bijna
overal, vooral in oude huizen, Van de wes-
pen heeft men drie foorten. De eerfte bouwt
zich een vierkant nest in den grond. De twee-
de (guepe mag ome') hier mart bomba ge-
naamd, een kunftig bordpapier gelijkend...”
|
|