| 1 |
 |
“.... Gemeentemuseum te Vlissingen. grOOtSte der drie eilanden - Curasao
— en nu verscheen in het begin van
1634 een man op het tooneel, die beweerde aangaande die gesteldheid allerlei
inlichtingen te kunnen verstrekken. Jan Jansz. Otzen — ook wel genoemd Jean
Janssen Otssen — die, in Spaansche gevangenschap, eenigen tijd op Curagao had
doorgebracht, bood der Compagnie zijn diensten aan en hij werd aangewezen als
geleider eener expeditie naar Curasao, welke met veel haast en voortvarendheid
werd uitgerust.
In de vergadering der XIX van 6 April werd tot de onderneming besloten en een
instructie vastgesteld — waarin o.a. werd bepaald dat in den Raad (der expeditie)
Otzen zitting zou hebben — en reeds in het begin van Mei zeilde de vloot uit. De
commissies van Van Walbeeck en Le Grand waren gedagteekend 8 April.
Het doel der onderneming was het eiland Cura9ao te vermeesteren, niet alleen
omderwille van het zout en het verfhout, dat op de Benedenwindsche eilanden te ver-
krijgen was, maar ook...”
|
|
| 2 |
 |
“...O FOTO A
Ho.nyri
• 7
9H
isti
ga-
I
Ér-"-' ■'■ ,
om troepen te landen — ineengezet
werden.
De Groot Hoorn was een der grootste
schepen (driemast vaartuigen) van de
Compagnie en mat 350 lasten; wij
mogen aannemen dat het er uit zag
als het alombekende schip in het wapen
der West-Indische Compagnie, of zooals
de Dubbele Arend uit de collectie van
Reinier Zeeman. In Zeeland zeilklaar
liggende voor een reis naar de West,
om zout te halen, werd dit vaartuig
aangewezen voor het vervoeren van
80 man krijgsvolk; in het geheel zou
het expeditionnaire legertje 225 man
sterk zijn.
De Eenhoorn en de Brack — respect.
80 en 30 lasten metende —waren jachten,
kleine vaartuigen, doch ook met drie
masten, beter bezeild echter dan de z.g.
schepen. Deze beide jachten hadden
zeer waarschijnlijk al vroeger aan de
krijgsbedrijven der Compagnie in de
Westindische wateren deelgenomen.
De Engel Gabriël eindelijk — van 160
lasten — was een fluitschip, maar werd
ook...”
|
|
| 3 |
 |
“... kant hem en de andere voormalige leden van den Hoogen
Raad in rechten wilde betrekken, aangezien die Heeren „zich in diverse occasien tot
ondienstvande West-Indische Compagnie soude hebben gedragen”. Toen de zaak eenmaal
verloren was, ging men elkander met processen te lijf, geen ongewoon verschijnsel.
Uit het verdere verloop dezer beide kwesties zou kunnen worden afgeleid, dat
Van Walbeeck vermoedelijk in 1649 is overleden.
Werd Van Walbeeck, in verband met zijn aanstelling tot admiraal ter kuste van LE GRAND.
Brazilië, „een welervaren Zee-Man” genoemd (van zijn bevarenheid hebben wij het
een en ander medegedeeld) „ende die voor desen sijne dapperheyt hadde ghetoont”,
Pierre Le Grand (le Grandt, le Grant) was militair en eveneens een man van be-
proefde kwaliteiten. Vermoedelijk kwam hij in Brazilië met de troepen, welke gaande-
weg ter versterking van Loncq's krijgsmacht waren uitgezonden en was hij kapitein
VAN WALBEECK ALS SECRETARIS IN BRAZILIË.
31...”
|
|
| 4 |
 |
“...over een der negen suppletie-compagnieën, waarvan het grootste deel in April 1631
in Pernambuco was aangevoerd. Bij den in deze maand ondernomen tocht naar
Tamerica (Itamaraca), onder den luit.-kolonel Steyn Callenfels, was ook de kapitein
Le Grand van de partij.
In Januari 1633 nam de compagnie-Le Grand, met drie andere, deel aan een expeditie
om de Zuid — naar Rio Formoso — onder den overste Van Schuppe en den equipage-
meester Lichthart. Een collega van Le Grand — de kapitein Philibert du Busson —
bekwam bij deze gelegenheid een schotwond aan den hals en overleed aan de „Klem
ofte Convulsie een quaedt d’welck in die landen de ghequeste seer subytelijck over-
valt ende die wegh neemt”.
Nadat begin Maart Van Waerdenburgh was gerepatrieerd, bevorderden gedelegeerde
Bewindhebbers — er moest toen een algemeene promotie plaats hebben — o.a.
Le Grand tot majoor. Er bleven toen nog 2900 man troepen in Brazilië, waaronder 250
man die aangewezen waren voor een tocht naar de...”
|
|
| 5 |
 |
“...aldaar, als commandant over de soldaten, den vierdaagschen zeeslag mede van
12, 13, 14 en 17 Januari 1640.
Behalve de vloot van Don Antonio d'Oquendo — in October 1639 bij Duins ver-
slagen — had de Koning nog een andere in Spanje en Portugal laten uitrusten en
deze vloot, van 86 schepen, verscheen in het laatst van 1639 in de Braziliaansche
wateren. De Nederlandsche scheepsmacht bestond aldaar uit slechts 13 schepen,
onder den admiraal Willem Cornelisz. Loos, maar gelukkig arriveerden vóór het
einde des jaars zoovele Compagniesschepen, jachten, gehuurde fluitschepen en boeiers,
dat men een vloot van 41 zeilen tegen den vijand in zee kon brengen; deze laatste
beschikte over 66 schepen — 20 waren met suiker naar Portugal teruggezonden —
met 15.000 man, onder De la Torre, den Gouverneur-generaal van Portugeesch-
Brazilië.
Reeds bij het eerste treffen sneuvelde aan onze zijde de Admiraal en den volgenden
morgen, zoo lezen wij, heeft „de Majoor Pierre le Grand, over de...”
|
|
| 6 |
 |
“...Van Dissel niet voorkomt, die toch betrouwbaar is.*) Maar wij hebben juist gezien,
dat Van Dissel voor die eerste jaren over geene gegevens beschikte. Jonas Aertsz kon
reeds 8 Augustus 1640 zijn behouden aankomst melden en de vriendelijke ontvangst,
hem van den directeur te beurt gevallen. Dat was toen Jacob Pietersz. Tolck, oud
kapitein op het schip Deventer en 23 December 1638 ter vervanging immers van
Van Walbeeck aangesteld. Jonas prijst hem als een man van goed, stichtelijk leven
die goede orde en discipline onder het volk onderhoudt en de justitie naar plicht en
geweten handhaaft. Ook komt hij geregeld onder het gehoor des Woords, in de houten
kerk derhalve in het fort. Voorts blijkt ons thans, dat „op de plaatse van bonayeren”
(Bonaire) reeds een garnizoen van tien man lag, met een ziekentrooster die Zondags
„den godsdienst waarnam” en in de week de ochtend- en avondgebeden las, alles volgens
de reeds in 1638 uitgevaardigde Instructie voor de predikanten art. 3. Ook...”
|
|
| 7 |
 |
“... Hermansen, ook ziekenbezoeker, was
vertrokken, en ook de tijd van zijn opvolger Adriaen Martensz. van Grijpskerk was
verstreken, die daarom om zijne verlossing gevraagd had.* 2) Trouwens, ook ds. Backer's
dagen op Curasao waren geteld, want toen in 1647 Petrus Stuyvesant directeur van
Nieuw Nederland werd, vergezelde Backer hem daarheen als opvolger van ds. Ever-
hard Bogardus. 3) Curasao was weder vacant.
Toch niet geheel herderloos. Want zoowel ds. Backer als de raad des eilands hadden
den ziekentrooster Johannes Walrave verzocht te willen blijven. De man had er niet
veel lust in gehad, want hij zou naar patria gaan, daar schoolmeester worden en aldus
zijn inkomen vermeerderen, terwijl nu zijn maandgeld aan zijn huishouding opging.
Doch hij was gebleven. Nu waren er, sedert Backer's vertrek, vele kinderen geboren,
die ongedoopt moesten blijven, tot ongerustheid van de ouders zoowel der Hollandsche
als der Indiaansche kindertjes, die onderwijs ontvingen van Walrave en zekeren...”
|
|
| 8 |
 |
“... werden. Ds. Van Beaumont
heeft er herhaaldelijk bij de Heeren op aangedrongen, dat zij een godzalig man zouden
zenden, in Spaansch en Nederlandsch ervaren, om onder de Indianen bekeeringswerk
te verrichten. Zelf die taal tot dat doel te leeren, daaraan schijnt hij, zoomin als de
predikanten te Paramaribo ten opzichte van het Negerengelsch. gedacht te hebben.
Te vreemder, omdat hij overtuigd was, dat aan dat onderwijs de zaligheid van zoo-
vele zielen hing, die anders door verzuim of zuinigheid van H.E. Achtb. verloren
zouden gaan. Doch de Heeren, minder bekommerd, hebben zelfs niet geantwoord.
Ook aan de negers heeft ds. Van Beaumont gedacht, voor het minst in Amsterdam
advies gevraagd, hoe hij met de oude negers van de Compagnie en hun kinderen (nl. zij,
die op het eiland gebleven en niet in „export” doorgezonden waren) handelen moest.
Voor het garnizoen vroeg hij om bijbels en psalmboeken. Een kerkeraad (zie boven)
was er in dezen tijd nog niet gekozen, de kooplui, die voor...”
|
|
| 9 |
 |
“...voort; vcc cn visch in overvloed; wat specerijen; ziedaar wat hem een leven voorspelt,
dat hij gaarne eenige jaren wil leiden. Doch wat hem vooral van vreugde vervult is de
nersoon van den gouverneur (vice-directeur Matthias Beck) godvreezend in zijn wandel,
wijs en voorzichtig in het regeeren, goed voor de Kerk en voor den dominee vriendelijk.
Ziedaar een schoon getuigschrift voor den man, die in dit jaar directeur geworden is.
Zeker ook een belangstellend gemeentelid, want hij wilde, dat het gansche garnizoen,
van wat religie ook, benevens de matrozen der in de haven liggende schepen ter kerke
zouden gaan, zoodat er soms meer dan honderd toehoorders waren. En thans voor t
eerst ook ouderlingen, van wie de directeur er één was, maar nog geen diakenen,
vermits er alleen onder het avondmaal werd gecollecteerd (vier maal per jaar, Apn ,
Tuli, October en December). Voor dezen blijmoedigen man zijn ook de Indianen „van
redelijk goeden aard” en, dewijl hij Spaansch begint te...”
|
|
| 10 |
 |
“... Boudewijns, Dinsdag ziek geworden, binnen vijf dagen met toenemende
(gele) koorts was overleden. Dat was dus Zondag 29 December 1669. De doodstijding
bereikte Bewindhebberen 10 April 16704). De weduwe, die na zou komen, had op zee
reeds haar dochtertje verloren en moest thans, aan wal getreden, haar man, haar
tegelijk gestorven zoontje en het juist aan boord gestorven dochtertje op één dag in
één graf ter ruste leggen. Bij uitstek tragisch gebeuren, waarvan ds. Specht aan
ds. Laurens Laurentius te Amsterdam het verhaal met droefheid heeft gedaan5).
Willem Beek werd weder directeur ad interim, Jac. Fabritius bleef secretaris. Deze
maal treuzelden de Heeren niet, reeds 5 Augustus 1670 benoemden zij tot directeur
Dirk Otterinck.
In dezen tijd verbleef vier maanden op ons eiland ds. Bartholomeus Isebout, die
omstreeks 1665 ds. Henricus Bemingius te St. George d'Elmina was opgevolgd en van-
daar 25 Februari 1668 aan de classis een wanhoopsbrief geschreven had over de aller...”
|
|
| 11 |
 |
“...nog nering en slavenhandel, maar nog altijd nam door allerhande natie van slecht
volk de ongerechtigheid toe. Hij heeft het weer over „vier overspelige hoeren”, die de
directeur deze maal inderdaad heeft weggezonden, waarvoor de predikant hoopt, dat
God de kerk loonen zal in dezen dreigenden oorlog en zijn wijngaard bewaren voor
die „paepsche wolven” (t.w. Franschen en Munsterschen) die dezelve gaarne ver-
woesten zouden*). Den 8sten Maart 1672 vertrok ds. Isebout naar patria, waar hij
behouden is aangekomen * 2). Met dat schip ging ook ds. Spechts brief, gedagteekend
zooals meest op den dag der afvaart. Doch in dien brief had hij nog maar gezwegen
van de moeilijkheden en de vileine bejegening van den directeur ondervonden, nog
altijd Dirk Otterinck. Want wel is waar is de brief, waarin de man zijn hart zal luchten,
gedateerd 26 April 1673 en was Otterinck zóó vroeg in dat jaar overleden, dat de
Heeren reeds 27 April daarvan kennis droegen, 3) maar hij zegt uitdrukkelijk...”
|
|
| 12 |
 |
“... geslaakt, dat het ellendig
is in een vreemd land in haat van den directeur te wezen 3).
Inmiddels hadden Heeren XIX (want eerst sinds 20 September 1674, oprichting der
tweede W.I. Compagnie, komen voor de vergadering der XIX die der „Thienen”)
29 Juni 1673 Jan Doncker tot directeur benoemd, een met den W.-Indischen handel
geheel vertrouwd koopman, man „van bequaemheit, ervarentheit en capacieteyt”, een
der beste directeuren die Curasao ooit heeft bezeten en die in datzelfde jaar het eiland
tegen de Franschen verdedigen zou met een kordaatheid, die wij thans, na veler vroegere
verdachtmaking, uit een onverdeeld gemoed kunnen bewonderen 4). Dat ds. Specht
met dezen directeur in botsing gekomen en weggezonden is, pleit stellig tegen hem,
gelijk ook het kwaad, waarvan Doncker hem beschuldigd heeft. Doch het zal slechts
billijk zijn hemzelven te hooren: eene bladzijde uit den strijd tusschen Staat en Kerk,
in onze handelskerken zoo menigmaal gestreden en waarlijk niet altijd met het...”
|
|
| 13 |
 |
“... ja, de gansche gemeente is met hem als één eemg man, maar zij durft,
als Nicodemus niet tot hem komen. Zij smeekten hem nog eens in eenvoudigheid te
willen prediken en hij vroeg den gouverneur om zijne toestemming, met heilige gelofte
ja eede niets aan te raken dat aanstootelijk zijn zou, doch van de obstinaatheid van den
heer Doncker kon hij niets verkrijgen, dewijl, vermoedt ds. Specht, hiji zich schaam e
om wat hij begonnen was nu weder te laten varen. Doch de directeur had ook gezegd,
wij zijn nu toch weer broederlijk verzoend, alles is vergeten en vergeven, ja de op-
gezochte attestaties waren gemodificeerd. En waar de schuld weggenomen was, daar
bleef geen straf. Doch ds. Specht nam afscheid, betuigende dat, zoo de heer Doncker
een christelijk gemoed had, hij toch wel bewogen moest zijn, dewijl de dominee zich
niet dieper had kunnen vernederen voor hem, al had hij zijn vader en moeder ver-
moord; maar dat hij de zaak Gode zou aanbevelen en Hem de wrake overgeven, in de...”
|
|
| 14 |
 |
“... zetten,
waarop ouderling Horst antwoordde, dat hij zich niet aan bankjes en waterpotten liet
gelegen liggen, maar alleen aan de kerkelijke zaken. Er was in deze afgesloten wereld,
zonder veel afwisseling of geestelijk leven, nog een twistpunt. Aan weerszijden van
den preekstoel waren twee raampjes, die volgens juffr. Veltman tochtten. Op Hemel-
vaartsdag, 26 Mei 1718, was er toen een groote neger van genoemde juffrouw of van
de weduwe Van Kinswilder gekomen, die zich dusdanig tegen de bank van voorzanger
Scheltus geposteerd had, dat de man er niet uit kon om de raampjes te openen ter
toch wel zeer noodige verfrissching. Ja, Zondag 29 Mei had de luitenant zelfs een
korporaal met een soldaat de kerk ingezonden om de ramen te sluiten, waardoor de
voorzanger dermate gealtereerd was geweest, dat hij zijn dienst niet naar behooren
had kunnen waarnemen. Onder de gemeente was algemeene opschudding en bij het
huisbezoek in Juni bleek, dat vele misnoegde leden zich niet in staat achtten...”
|
|
| 15 |
 |
“...zes weken en vijf dagen de woeste baren en zette Dinsdag 18 Maart voet aan wal.
Zondag 23 deed hij intrede met Jac. I 21 (Legt daarom alle vuilnis en overlast van
boosheid af en neemt met zachtmoedigheid het ingeplante woord aan dat uwe zielen
behouden kan) 1) en den Zondag daarop begon hij met de catechismusverklaring,
waarbij hij 10 Augustus tot den 15den Zondag gekomen was. De gemeente telde toen
een 300 lidmaten, maar lag „begraven in diepe onkunde” omdat ds. Van Cambron
de catechisatiën droevig verzuimd had, maar Ferrarius hoopte haar er uit te trekken,
dewijl hij vooral bij de jeugd grooten lust tot de kennisse Gods gevonden had. In den
kerkeraad zaten nog altijd niet meer dan twee ouderlingen. Ziedaar de korte mhoud
van den eenigen brief die mij van den jongen man onder oogen kwam 2). Kort daarop
is hij overleden. Van Dissel, die immers kerkeraadsnotulen bij 1727 beginnende tot
zijne beschikking had, laat hem in of na April 1728 overlijden ).
Slechts enkele maanden...”
|
|
| 16 |
 |
“...
vreemd, zooals trouwens ook
niet duidelijk is welke verhouding
er bestond tusschen den Directeor Jan Decker - een koop man-enden Franschen
Gouverneur-generaal. Fatale gevolgen had de aanslag van Jean, France
hebben, den vice-adtniraal zonder marin.-opleid.ng en latere»
die in 1676 en 1677 in Cayenne en op Tobago ageerde en m 16 . q ,
Curacao afging, ook al met een versterking van vrijbuiters. Gelukkig overkwam^het
den Franschen door slechte navigatie op het Avesrif verzeild te geraken, waardoor
van verdere actie moest worden afgezien.
Op de Bovenwindsche eilanden had men meer van den oorlogstoestandtelijdem
In 1664 werd St. Eustatius gebrandschat door Robert Holmes, het volgende , aar, na
het vertrek van De Ruyter uit de Westindische wateren, werd het ^d bez^ do_
Morgan - Edward, den Luitenant-gouverneur, met zijn neef Henry, den boekanier
met zTn vrijbuiten van Jamaica; in 1667 hernam John Sympson het eiland van af
St. Maarten. In 1665 maakte een deel van Morgan's...”
|
|
| 17 |
 |
“... en transportschepen gehuurd, want Curasao gold als goed
verdedigd. Inderdaad kon men, ter verdediging van de verschillende baaien aan de
Zuidkust, ten Oosten en ten Westen der St. Annabaai, over bijna 900 man beschikken,
volgens een in den Raad opgemaakt programma bestaande uit: matrozen, ruiters,
soldaten, Engelschen, Israëlieten, slaven, creolen, vrije negers, planters en „jonge
gasten"; die Engelschen zullen wel vrijbuiters uit de buurt zijn geweest, waarmede
men inderhaast de bezetting had versterkt. Er zwierven in West-Indie vagebonden van
allerlei nationaliteiten rond, die voor tien pesos per maand voor soldatendienst konden
worden gehuurd. , . , .
Bewaarheid werd de reeds in 1634 door Pierre Le Grand gemaakte opmerking, dat
Curacao volstrekt niet gemakkelijk te verdedigen was, van wege de vele voor zee-
schepen toegankelijke baaien, welke alleen met veel volk en veel geschut in behoorlijken
staat van tegenweer te brengen waren. De vijand kwam in den vroegen morgen m...”
|
|
| 18 |
 |
“... scheepsbevelhebber, die een vermoedelijk Fransch vaartuig — dat echter
Curagaosch eigendom was — had buitgemaakt en deswege op Curagao werd gedetineerd
— en die blijkbaar slechte oogmerken had tegenover het Nederlandsche gezag — be-
rokkende in 1803 veel overlast aan het Bestuur. Hoewel hij slechts over een 100 man
beschikte, werd er niet bijzonder krachtig tegen hem opgetreden; zelfs voor een door
hem gepleegden manslag werd deze Engelschman — Captain Robert Tucker —
niet gestraft.
Berichten uit Nederland deden commissarissen op hun hoede zijn tegen onverwachte
gebeurtenissen en, voor zoover de beschikbare middelen toereikend waren, werden
maatregelen genomen tot tegenweer, bij een mogelijke aanranding van buiten; vooral
De Veer, die zich na den dood van den Kapitein ter Zee Buschman de militaire aan-
gelegenheden had aangetrokken, toonde zich een energiek bewindsman. Hij was de
zoon van den Directeur Joh. de Veer Abz. en heeft zich later verdienstelijk gemaakt
als Commandeur-generaal ter...”
|
|
| 19 |
 |
“... prijzen zijn dan ook, onder den druk der omstandig-
heden, herhaaldelijk moeten gewijzigd worden.
Dat sommige Zuidamerikaansche staten zoo gemakkelijk kaperpatenten uitgaven,
werkte zeeroof in de hand en toen eens een Engelsch schip (brik Caraboo) genomen
was door een roofschoener — met kaperspapieren van Buenos Aires — moest de
Nederlandsche Regeering de klacht vernemen dat in West-Indië piraterij gesteund
werd, door het toelaten van verdachte schepen met hunne prijzen en door het opkoopen
van het buitgemaakte, ook op St. Eustatius en Saba; andere toevluchts- en afzet-
gebieden waren het Zweedsche St. Barts en het Deensche St. Thomas. De zaak eindigde
— in 1828 — met de executie, op St. Kitts, van den kapitein en 27 man des „kapers",
waaronder zeven Britsche onderdanen; één man werd begenadigd, onder conditie
van tien jaar bij de Britsche marine te zullen dienen (!).
Nog tijdens den Amerikaanschen burgeroorlog kon kwestie ontstaan omtrent den
status van een gewapend vaartuig...”
|
|
| 20 |
 |
“... achtergebleven.
Deze laatsten verschenen in 1625 op St. Christolfel, het jaar daarop werd de Compagnie
van St. Christolfel opgericht, waaruit in 1635 de Fransche Westindische Compagnie
zou ontstaan. Toen in 1628 de Société de Saint Christophe den kolonisten eenige ver-
sterking wenschte toe te voegen, werden twee schepen uitgerust, waarvan één onder
bevel stond van een man, die in deze contreien een groote rol zou spelen, Guillaume
d Orange, die niets te maken had met onze Oranjefamilie, maar in wiens geslacht,
volgens zijn biograaf, groote dapperheid evenzeer erfelijk was als de voornaam
Guillaume.
Eveneens in 1628 zien wij 63 Nederlandsche emigranten naar Tobago uitzeilen, waar
onze landgenooten, vermoedelijk als eerste Europeesche kolonisten, de tabakscultuur
hebben beoefend.
In 1627/29 werd bij de Engelsche kolonisatie van Barbados hulp verleend door Amos
van Groenewegen, die zich in 1616 met Engelschen en Zeeuwen aan de Essequibo-
rivier had neergezet.
De „indringers”, die in...”
|
|