| 1 |
 |
“...( ) .
Was, dat de Boomen van fijn Sloep aan Land
borgen waren op Point Blanke. Ik gaf hem dirfc-
”en. °? ,defeIve te gaan ontfangen, en vermits het
was drvven de “ k M Sch'> toen ^S. a
was dryvende, raade ik hem aan het felve te oaan nee
men en al de affiilen.ie die ik hem gee™ kon
ou hem vergunt worden. D kon
Wat meer kop ik doen, myn Heer? in
ftandigheeden waar in U bekent moet'zyn ïat Tk
my bevond. Had Capitein Alloway by } fijn eerde
Addres aan my, nevens de Perfoon die hem ver
zelde, geklaagt en myn afïiffentie gerequireerr het
lou toen m myn magt zyn geweeft? de^Perfoon aan
my gefonden met de Complimenten van la Roach
de £CeTn; d°$ A,.i0Way heeft dit verfuimt, en
ve buiten myn ma^" ge“°°ten 2yD‘,e- was defd-
verleid he'-ben, al het geen ampeler fal blyken uit
de geannexeerde depofitien. 7
Ik moet nu de vryheid verfoeken de Brief van
woordent enC1C ^ GCneraal BU" te n.ogénnbeaV„t-
„:Jxn v.°°r.frfl met opligt tot de harde befchuldi-
^.g’, , lk °P een parüale...”
|
|