Your search within this document for 'ken' resulted in five matching pages.
1

“...3 kend is, dat het Nederlandsche leger, vooral in de ko- loniën, grootendeels uit vreemdelingen, bij name, uit Duitschers bestond. Yan deze zullen er zeker eenigen, zooals thans ook nog wel geschiedt, tijdens dat zij in dienst waren of na afloop van den diensttijd, een huwe- lijk hebben aangegaan en zich hier met der woon hebben nedergezet. Zoo worden in 1763 wederom 22 nieuwe le- den opgegeven, allen vreemdelingen, van welke ik gis dat de meesten militairen zullen geweest zijn * *). Doch hoe welvarend de leden der gemeente ook in het eerst mogen geweest zijn en door den koophandel, — of sluikhandel, — hunne gegoedheid in het midden der vorige eeuw meer en meer is toegenomen; — in het laatst dier eeuw en in het begin van deze waren de za- ken reeds zeer veranderd, zoodat er niet alleen een ar- menkas moest worden opgezet en men, om in de behoef- ten van kerk en armen te voorzien, zijne toevlugt moest nemen tot gedurige collecten, die al minder en minder opbragten...”
2

“... in zijne plaats een ander zou worden verkozen, en wel één van de zes die reeds het kerkelijk collegie uitmaakten. De aftredende ouderling bleef lid van den kerkenraad, en trad in diens plaats, die voor hem tot ouderling verkozen was. Toen in 1759 een lid van den kerkeraad, geen ouderling zijnde, overleden was, werd bepaald, om een tweetal op te ma- ken van leden der gemeente, ter vervulling van zijne plaats, opdat, indien de één de keus op hem gevallen, niet mogt aaunemen, men den tweede kon verzoeken om 1) Later is als regel aangenomen, dat in dezelfde godsdienstoefening nieuwe leden van den kerkeraad zouden voorgesteld en tevens bevestigd worden. ») Daaruit blijkt dus dat eenige hunner hunne woonplaats buiten de stad, op plantaadjes gevestigd hadden....”
3

“... armenkas vermaakt werden, met de kerkekas te deelen, omdat de kerkekas toen zoo goed als niets bezat; en in 1821 werd het be- sluit genomen, zooals reeds in 1819 bij de Hervormde gemeente genomen was, om de kerk- en armenkassen on- der éene administratie te brengen, dat is; te vereenigen, vooral, zooals wordt opgegeven, // om daardoor alle wijd- loopigheid te vermijden in het houden van dubbele boe- ken, en omdat toch telkens de eene kas den onderstand der andere kas noodig heeft ”, dat wil wederom zeggen, zooals bij de Hervormden; de kerkekas die van de ar- menkas. *) Eerst was er geen armenkas, om de goede reden, dat er geen ar- men waren. 2...”
4

“...19 Amen!” Deze proclamatie was door een lid van den ker- keraad, als scriba, onderteekend. (Als er een predikant was, nam deze het scribariaat waar.) Uit dit een en an- der omtrent den kerkeraad en zijne werkkring opgegeven, blijkt dus, dat er bij de oorspronkelijke inrigting van den kerkeraad, geen eigentlijke armverzorgers of diake- nen waren. Zooals in elk ander collegie kan gebeuren, viel het ook wel eens bij den kerkeraad voor, dat men elkander niet goed kon verstaan, vooral niet, als er politieke belangen of kwestiën méde gemoeid waren. Zoo berigt een lid in Julij 1805, dat hij niet in de vergadering kon komen, zoo lang een ander lid er nog zitting in heeft. Er waren reeds onderscheiden vergaderingen gehouden, waarvan beide die leden afwezig waren geweest. De kerkeraad be- sluit nu, hen door Ds. j. mui.lee te doen aanschrijven en afvragen: of zij aldus willen voortgaan, zich te ver- wijderen; en zoo ja, dat zij dan liever moesten bedan- ken, als geheel en al...”
5

“...32 goeding voor den afstand der zaal, 30 p. maand zou ge- nieten. Toen echter Ds. van esch in het midden van 1808 Curasao nogmaals had verlaten, ontvangt de ker- keraad van den Engelschen Gouverneur wederom het aan- bod om van de kerk der Gereformeerden gebruik te ma- ken, zullende de tijd billijk verdeeld worden, als er we- derom een predikant kwam; een derde der gecollecteerde gelden zou ook wederom ten voordeele der Hervormden A komen. Het eerste wordt aangenomen, omtrent het laat- ste worden bezwaren geopperd. Het heet in het schrijven aan den Gouverneur: //Uwe Exc. gelieve hierbij nog aan te merken, dat de Hervormde gemeente geen kerkelijke onkosten te bestrijden heeft, dan alleen den last der arm- verzorging, en dezen last hebben wij Lutheranen ook; dat voorts de Herv. gemeente zelf voorregten geniet, van welke de Luth. gemeente verstoken is, dat namelijk de Herv. gemeente, quasi als de praedominerende kerk, door- gaans een half pCt. van alle openbare...”