Your search within this document for 'her' resulted in seven matching pages.
1

“...; maar toen in 1804 de kerk verbrand was, ontbrak het der gemeente geheel en al aan middelen om het kerkgebouw weder op te doen trekken en zijn later daartoe nooit middelen kunnen gevonden worden. Zoodat de vereeniging der Luthersche gemeente met de Her- vormde eene weldadige uitkomst voor de eerste mag ge- noemd worden, die door schuld en last gedrukt 2), bijna het hoofd niet meer kon boven houden, en toen in eens van alle zorg werd ontslagen 3). Het blijkt toch dat bij ») Zie over de gegrondheid mijner opvatting hier beneden, in het in- geleverd verzoekschrift. *) Latere stukken zullen dit bewijzen. 8) Ook de predikant, die tot 1825 door de gemeente moest bezoldigd...”
2

“..., aan de Bewindhebbers der W.^l. Compagnie. In het voorwoord reeds tot dat rekwest a) leest men: // In den naam onzes Heeren Jezu Christi, Amen! * i) * 3) — worden, begon toen zijne bezoldiging, even als die der Hervormde ge- meente die genoten had, uit ’s Lands kas te trekken; alhoewel hij, indien hij daarvan had werk gemaakt, sedert 1816 even zoo goed als de Her- vormde predikant, uit ’s Lands kas had kunnen bezoldigd worden. i) De schrijver handelt echter in dat werkje grootendeels over de stichting der Luthersche gemeente en van het kerkgebouw. *) In de Archiven opgenomen. 3) De oude spelling van dit en andere volgende stukken heb ik niet behouden; grootendeels echter den stijl, om aan het oorspronkelijke niet te kort te doen....”
3

“...- lich-Luthersche gemeente te Leeuwarden afgegeven, is regt hartelijk en voor hem zeer eervol. Uit dit getuig- schrift blijkt: dat hij bijna drie en een halfjaar het her- der- en leeraarambt te Leeuwarden had vervuld, //onder de gunstige protexie van hunne Edele Mogenden, de Hee- ren Staten van Eriesland.” De Heeren gevolmagtigden der gemeente alhier, te Amsterdam, hadden bovendien 1) Deze zinsnede was er ingevoegd, omdat de vorige predikant, zooais wij op zijne plaats zien zullen, eensklaps had bedankt en vertrokken Was, en de gemeente daardoor eenige jaren zonder leeraar bleef....”
4

“...30 bewogen worden, en wij wederom dusdanig in staat ge- steld worden, om het vernielde kerkgebouw weder op te halen. Ja! deze genade schenke ons de goedertierene God en Vader der menschen, tot eer en verheerlijking van Zijne aanbiddelijke grootheid; tot uitbreiding der 0 kennis van Zijnen wil, tot bevordering van ware chris- telijke deugd en tot onzer en veler zielen heil en zalig- heid 1 Het zij, — het geschiede alzoo!” Evenwel, die wensch is niet verwezentlijkt geworden, en die wensch behoefde ook niet meer geslaakt, na de vereeniging der beide gemeenten op ons eiland. Na het afbranden der kerk stonden echter de Godsdienstoefenin- gen niet stil, dewijl door de provisionele commissarissen van ons Gouvernement, aan den kerkeraad, bij monde van den predikant werd aangeboden, om van het nu .toch ledig staande kerkgebouw der Hervormde gemeente ge- bruik te maken <); zullende, wanneer wederom een Her- vormd predikant overkwam, de noodige schikkingen ge- maakt worden...”
5

“... veudugelden ont- vangt, waarvan de Luth. gemeente, hoewel ook Luthe- ranen vendue houden, geen het minste deel verkrijgt. Dat de Luth. gemeente geheel op haar eigen wieken drijft, die gedurende dezen zoo langdurigen oorlog, he- laas! maar al te zeer gekort worden. Dat dezelfde ge- meente, juist door zoovele schokken des oorlogs, zelfs tot schulden vervallen is. Dat tot goedmaking der jaar- lijksche kerkelijke onkosten telkens eene buitengewone collecte onder de leden der gemeente (waaronder slechts weinigen welgegoeden zijn) moet geschieden; dat er ein- delijk voor ons waarlijk geen vooruitzigt is tot den her- bouw onzer kerk.” Als de Gouverneur er echter op bleef aandringen, dan zou de kerkeraad zich het uitkeeren van dat een derde getroosten. Er wordt niet verder van ge-...”
6

“...33 meld, zoodat het onzeker is, of het nog verder is uitge- keerd; waarschijnlijk echter niet. Ofschoon nu de kerkeraad in bovenstaande aanhaling te kennen geeft: dat er geen vooruitzigt bestond tot her- bouw der kerk, zoo waagde hij echter eene poging daar- toe bij het vertrek naar Engeland van den Gouverneur james cockburn, hem in een zeer uitgebreid vertoog, gedagleekend 22 April 1809, den toestand der gemeente openleggende, en hem verzoekende, //dat, ware het moge- lijk, Z. Exc. met zijne hulp en voorspraak bij Engelands onderdanen ons gelieve te assisteren, zoodat wij tot den herbouw onzer kerk mogten in staat gesteld worden.” Een jaar later werd in de kerkeraadsvergadering van 9 April besloten, om ter herbouwing der kerk eene alge- meene collecte op het eiland te doen. Vooraf werd een z/bidschrift aan de inwoners van Curasao” uitgevaardigd. Dit wordt in zijn geheel medegedeeld, doch op den kant er van heeft Ds. muller bij een NB. aangeteekend: //Van dit...”
7

“...48 ren predikant te schrijven, waartoe hij //wenscht, dat God Zijnen zegen verleenen mogt.” Die wensch echter werd nog zoo spoedig niet vervuld; maar in den loop van 1782 werd de gemeente (of zij die er van opkwa- men), toch verschoond van den voorlezer eene preek te hooren oplezen, doordien zekere Ds. Johannes simons ad interim tot predikant wordt aangesteld, tot tijd en wijle een predikant uit Nederland was gekomen, of men nader berigt uit Amsterdam had ontvangen. Deze Ds. simons wordt gezegd eerst geweest te zijn //Pastor vicarius te Guntersbloem en Dolgesheim 1), en wel gedurende den tijd van 6 jaren; toen was hij van daar naar St. Eustatius vertrokken, waar dus in het mid- den der voorgaande eeuw, behalve eene bloeijende Her- vormde, ook eene Luthersche gemeente moet geweest zijn. Hij had daar 2 jaar de dienst waargenomen en hield zich nu juist, misschien wel ter oorzake zijner gezondheid, op Curasao op. De kerkeraad hiervan onderrigt, heeft hem door twee...”