| 1 |
 |
“...waren alle te vergeefs, alle stuitten af op de
hardnekkigheid, van eene der partijen, die van
geen toqgeven hooren wilde en die gelukkig
niet tot mijne clinten, noch tot die van mijn
geachten medepleiter, den heer van Daalen, be-
hoort. Ik wist de eerste Gedaagden, die toen
alleen nog mijne clinten waren, over te halen,
zich met alle cijfers, die hun zouden worden voor-
gelegd, tevreden te stellen, en aldus waar te ma-
ken, hetgeen ij van den beginne af gezegd hadden,
dat het hier geene geldquaestie, maar slechts een
quaestie van beginselen gold. Ik haalde hen daar-
toe over, niettegenstaande n bij hn n bij mij
de zekerheid bestond, dat zij voor menige dui-
zend Gulden benadeeld werden.
Uit de ook aan andere,belanghebbenden, be-
halve de eerste Gedaagden, oyergelegde verschil-
lende staten van den boedel, was bij die an-
dere belanghebbenden twijfel ontstaan over het
richtig beheer. Een boedel, als die .van wijlen
den heer Jacob J. Naar,-waartoe een aantal on...”
|
|