| 1 |
 |
“...— 5 —
plaatsen zijn volkomen voldoende om ons te leeren wat wij op
iedere plaats in Oost- en West-Indië te wachten hebben.
Men moge in der tijd van onze officieren van gezondheid te
veel hebben willen vergen, het onmogelijke zelfs, zoodat ik reeds
vroeg het voorstel deed op andere wijze metereologische waar-
nemingen te doen verzamelen, omdat bij de toen bestaande orde-
ning van zaken nu en dan onregelmatigheden moesten voorkomen, —
toch hebben wij aan hunne waarnemingen voor 1860 een goed
overzicht der klimatologie te danken.
Te Utrecht is nog een groote voorraad voorhanden, waarvan
de betrouwbaarheid nog niet onderzocht is. Wij spreken dan alleen
van de plaatsen, waarvan de waarnemingen goedgekeurd zijn en
in het deel samengebonden dat hier op de tentoonstelling aan-
wezig is. (Catalogus 3* en 4).
Vraagt men in de eerste plaats naar de temperatuur van Paramaribo,
het antwoord luidt, zij is tusschen 33.3 en 21.1, naar die van de goud-
kust van Guinea, zij is tusschen...”
|
|
| 2 |
 |
“...7 —
Men ziet dus hoe gelijkmatig in den morgen de temperaturen
het geheele jaar door in alle onze bezittingen blijven, ook als men
niet alleen op de gemiddelde waarden let, maar tevens op die van
bijzondere jaren welke in de bijlagen gegeven worden.
Eigenlijk heeft men geen verandering dan die van den goeden
en kwaden mousson.
De windrichting is dan eenigszins anders en daarmede de hoe-
veelheid der regens en het aantal der regendagen.
Terwijl in den goeden mousson op Java geen wolkje zich aan
den hemel vertoont, althans niet lang, en het weder aftrekt als het
zijne waterhoeveelheid heeft laten vallen, doen zich in de ken-
teringsmaanden reeds meer wolken op, vermeerdert de hoeveel-
heid regenwater tot het dubbele en drie dubbele, maar steeds
blijft de temperatuur hoog.
Zelfs in de West-Indiën, alwaar toch de zon in de maanden
December en Januari wat verder van het Zenith staat, geven die
maanden toch nog 24—29° eiken dag gemiddeld 26°.
In Guinea heeft men twee...”
|
|
| 3 |
 |
“...— 16 —
geen dieren zouden kunnen voeden, geen menschen het verblijf
zouden kunnen mogelijk maken, ook indien er dan warmte genoeg
aldaar kon aanwezig zijn.
Niets vergaat in de natuur. Aan het oog moge de eene of an-
dere werking een tijd lang ontsnappen; men vindt haar bij nader
onderzoek tot het volle bedrag in andere werkingen terug, of ook
na herhaalde gedaanteverwisseling weder in denzelfden vorm.
De warmte die teveel zou zijn in de tropen wordt niet vernietigd
maar zij zet de lucht uit, zij vormt waterdamp en deze lucht en
damp weder tot dichtere lucht en water verdicht brengt weder
dezelfde hoeveelheid warmte te voorschijn die wij verloren waanden,
maar die nu op andere plaatsen, waar zij gewenscht werd, hare
weldadige werking teweeg brengt.
Paramaribo en Borneo, Sumatra en Java, Amboina en de kust
van Guinea zouden zonder deze werking geheel verschroeien,
maar van alle plaatsen gaat de overvloedige warmte weg naar
het onherbergsame Siberië en de noordelijke...”
|
|
| 4 |
 |
“...— 18 —
beelden dat op eenen dag in eene bui een tiende van de hoeveel-
heid neervalt, die hier slechts in een geheel jaar wordt opgevangen.
Het ongunstigste weder, onweder, orkanen, ten minste voor de
plaatsen verder aan den aequator gelegen, heeft men als de eene
moesson met den anderen afwisselt in April en October.
Na deze werkende oorzaken genoemd en ten deele verklaard te
hebben willen wij eene beschrijving van het klimaat aanbieden,
zooals die door Wallace, Junghuhn en Swaving gegeven zijn. Zoo*
iets toch kan alleen gegeven worden door hen die in dit klimaat
leefden en ooggetuigen waren. Vergeeft mij dan indien ik de be-
schrijving hoofdzakelijk aan anderen ontleen.
De Heeren A. Russel en Wallace gaven de volgende aanteeke-
ningen over het klimaat van Oost Indië.
Zij onderscheiden Insulinde in het Indische gewest: Java, Su-
matra, Bali, Borneo, Malacca, en in het Australische gewest: Nieuw-
Guinea en Australië.
Borneo, Celebes en Lombok hebben diepe zeeën. In de...”
|
|