Your search within this document for 'was' resulted in eleven matching pages.
1

“...ia DE MARQUIS DE BOUILLÉ, Gij zwijgt, verkropt uw leed, verdubbelt uwe pijn!.,. ER NESTDS. Een Nederlander zou dan zonder hartstocht zijn ? Hij zou zoo koel, zoo laf, zoo önvcrfchillig weezcn ? Gewis dan waar’ te onpas zijn edele aart geprezen ; Dan hadt diens vallche tong de waarheid juist gezeid, Die Neêrlands volk betigt van ongevoeligheid ; Dan hadt zijn bittre pen met alle recht gefchreven, Dat Neêrland geest,noch vuur,noch hartstocht waar’ gegee- Dan was ’t, dat Engelberts, met eene mannenhand, (ven ; Te onrecht verdedigd hadt den roem van ’t vaderland; Een’ roem zoo oud, zoo groot, zoo edel ,zoo verheven!.. Het Franfche volk wordt meer tot vlugheid aangedreven; ’t Vergeet zijn rampen ligt; ’k ben hierin niet verblind. Maar denk niet dat een man, die ’t vaderland bemint, • Die nog’t oud Hollandsch hart voelt in den boezem kloppen, Met recht zijn ooren voor ’s volks jammren toe kan floppen, ’t Is waar, ’t is eenmaal zoo; wij wennen onzefmart; Maar de algemeene...”
2

“...ii DE MARQUIS DE BOUILLÉ, ft O RI S. Gëën lafheid; neen,mijnheer5 Wij zijn niet min dan gij bezield door moed en eer. Maar kan men op dien moed,ontbloot van magt, vertrouwen? De moed,van magt ontbloot,-zoudé onS Hechts rampen brou- Gij merkt het zelf .mijnheer! onze Ijver was te groot. /-went De moed verblindde ons Hechts. Wij loopen in den dofod, Als wij beftaan uw plan, zoo driftig, door te zetten. paNESTps. 6 'Bloodaarts! trekt vrij af: men zal ’t u niet beletten, Maar, wilt gij ’s Hemels ftraf niet pp uw halzen lain, Zoo doet de burgerij uw blooheid niet verftaan... Hoe klein ’t getal ook zij van onze bondgenooten , Een hoop als gij zoü Hechts tot fchafide hen vefgrooten. En rouwt u uwen eed ? Gij zijt ’er van ontzet; Mits dat ge, onzijdig zijnde, ons ddehvit niet belet, F L (> AIS. Gij durft, door fchamprc taal, dus onverdiend ons hoonenj Men kan op ’t klaarfte aan u, onwederlegbaar, toonen, De hoogde onmooglijkheid, hoe u de moed verblind’, Dat gij, ontbloot...”
3

“...HELDENSPEL. 25 jfslog langer voor een’ hoop van rooversflaafsch te knielen? Hoe zag ik vruchtloos niet naar onze ontzetting uit, • Sints dees kolonie wierd den Britten tot een’ buit ?.. Iloe vleiden we ons vergeefs! Dan wie, wie kan bevroeden Hoe diep gantsch Neêrland deelt in ’s oorlogs tegenfpoeden! Wie onzer weet de reên, waarom ons ’t vaderland Tot op dit oogenblik niet flaakt van ’s vijands band ? Althans wij kunnen, in dees tijdsgefteltenisfen, Daar ’t alles duister fchijnt, bezwaarlijk de oorzaak gisfen. Maar ’t was van ouds af reeds der Batavieren aart, Traag heul te zoeken in ’t verwoestend oorlogszwaard; Doch’twas geenszins den aartvanNeêrlandswakkre braaven Lang overheerd te zijn, als overwonnen flaaven. Het eerde ontzegt aan mij een naderend ontzet, Daar ’t laatfte in deezen Raat te blijven mij belet. ’t Ontwerp, door mij gevormd, hoedanig’t af moog’ loopen, Steunt dus op rede en pligt. F LOUIS. Maar kunt gij billijk hooppn Dat, fchoon uw fier befluit...”
4

“...2? HELDENSPEL. TWEEDE BEDRIJF. Het Tooneel blijft onveranderd. EERSTE TOONEEL. francisca, alleen. Wat naare angstvalligheid, waarin ik mij bevind! 6 Voorwerp van mijn trouw, zoo teêr van mij bemind, Hoe meêr ik overpeins wat gij hebt voorgenomen, Hoe meêr ik reden vind om voor mijn lot te fchroomen! Uw fier, uw moedig hart, mijn dierbaare echtgenoot, Vergat het wis gevaar, en voerde u in den dood!.. Waar was mijn denkbeeld toch, toen ik u liet vertrekken! Is ’t mooglijk, kunt ge uzelv’voor’s vijands magt bedekken? Hoe zal een klein getal van burgren toeh beftaan Voor krijgsliên, lang gewoon met krijgstuig om te gaan? Hoe zal zoo zwak een magt den trotfchen Brit befpringen ? Emestusl.. ach! men zal u ’t ftaal in ’t harte wringen! Wat aaklig voorgevoel beknelt mijn angftig hart!.. Het is bijna vier uur. Waartoe zoo lang gemard.. ? Ach! bij uw laatst vaarwel, hebt gij mij duur gezworen, Dat ik, reeds vóór dit uur, van u bericht zou hooren. Waar toeft, waar blijft...”
5

“...HELDENSPEL. 31 Wat glansrijkvolle nacht! hoe voel ik mij verheugd! E R N E S T U S. Bepaal uw blijde taal, mijn gade! en wil mij hooren. Het uur van ons ontzet is mooglijk haast geboren. Doch vlei u niet te veel; ligt is ook ’t uur nabij Waarin ons onheil klimt, door Englands heerfchappïj. Na wij gezamentlijk, omtrent drie honderd fchreden, Zoo ftil ’t ons mooglijk was, reeds waaren voortgetreden, Terwijl elks harte blaakte in fleren heldenmoed, Heeft ons op weg een flaaf van Frederik begroet. Martellus, op wiens woord men veilig mag vertrouwen , Op wiens beproefde deugd heer Fredrikfteeds dorst bou- wen , Berichtte ons, hoe deez’ nacht, aan’seilandsachterkant, Met ongemeene ftilte, een krijgsmagt was geland. Hij, ijllings aangefpoord zijn’ heer dees maar’te brengen, Ontmoette oils juist op weg. De tijd kan niet gehengen Dat ik aan u ontvouw de redewisfeling. Vol fchrik, vol vreps en hoop, die beurtlings ons beving, Beflooten wij nu eens ons oogmerk door te zetten...”
6

“...4o DE MARQUIS DE BOUILLÉ, FREDERIK. Waar preekt gij van ? wat is ’t ? wat raag ’er toch gefchiêt} ? TIENDE T O O N E E L. FLORXSj ERNEST 17 S , KAREL, FREDERIK, FLORIS. ^lijn heeren! 6 hadt gij dat fchouwfpel aangezien!.. Ik zag Cockburnc alleen op gindfche zijde rijden, En eensflags door een troep foldaaten vreemd beftrijden. Zij kwaamen hem , zoo ’t fcheen, toevallig te gemoet’. Hij werd van hen terftond naar krijgsmans wijz’ begroet. ,, Waarhenen trekt gij toch zoo fpoedig,mijne vrinden? „ Wat is ’er gaans? wat zult of wilt ge u onderwinden ?” Dus fprak de generaal, en ’t antwoord was: „ Niets meer „ Dan dat de Franfchen u gevangen neemen, heer, 1 „ En dat Euflatius door hen flechts is hernomen”, Der Britten hoofdman fchecn als uit den flaaptekoomen, De trotsheid zyns gelaats vervloog met éénen vaart. Men ligt, al fchimpend’, hem van ’t trappelende paard, En zet hem op den grond. Hij ftaat geheel verlegen: *t Was juist of fir Cockburne een’ zinvang hadt gekregen...”
7

“...43 HELDEN S P E L. Ja, gantsch Euftatius zal u met vreugd ontfangen. Doch meldt aan ons, indien ’t niet ftrijd met uwen pligt-, Op welk een wijze is toch diewondrc daad verricht’ Men hoort van geen gevecht, noch ’t buldren der kanonnen, En,ziet!Euftatius is op den Brit herwonnen!.. Niet dat ik twijflen zou : het is mij thans bewust Dat ’s Hemels wijs beduur u voerde naar dees kust. Mijn hart gebied mij dus met eerbied u te aanfchouwen. LOUIS. £ Braave Batavier! ik kan u zulks ontvouwen, En ben, wat eer voor mij! niet buiten ftaat gefield, Dat u dit groot geval door mij ’t eerst word’ gemeld: De Marquis de Bouillé, het hoofd van vier fregatten, Die naauw’ aan oorlogsmagt één duizend man bevatten, Bereikte gistren fpade, omtrent te middernacht, De gindfche zijde van dit eiland onverwacht. De plaats, waar hij begon met zijne magt te landen,' Was hoogst gevaarelijk, van wegen klippen, zanden, %■ En fteile rotzen, en den ongebaanden vaart. Men zette voet aan wal, en...”
8

“...HELDENSPEL. 4J1 De trotfche vijand hadt geen’ zweem van laffe vrees, Daar hijzelf, op mijn beê. den weg naar’t fort ons wees. ERNESTUS. ’k Beken, dees zaak koomt mij bijzonder vreemd te vooren. RARE L. Het fchijnt een wonderwerk... LOUIS. Wilt mij Hechts verder hooren. Men zag ons zekerlijk voor eigen troepen aan, Want aan ons krijgsgewaad was ’t anders niet te raên; Te meer, dewijl ik hen naar krijgsmans wijz’ vereerde, Hen in hun taal begroette en dus ook kommandeerde. Van andre vijftig man, ons volgende op den voet, Vondt zich de dappre Brit op harder toon’ begroet; Zij vuurden op den hoop en fchooten drie ter neder. Wij liepen t’laam naar ’t fort, alwaar men ons zoo teder Als heufehelijk ontfing, gelijk ’t aan vrienden past... . Maar hoe vondt zich de Brit op ’t fchrikkelijkst verrast! Want naauwlijks hadt men ons als vrienden ingelaaten, Of’t was „Geeft uw geweer! hier kan geen veinzen baateti I „ Geeft u gevangen, of niet één ontkoomt de magt ,, Der...”
9

“...46 DE MARQUIS DE BOÜILLÉ, Was bij de agthonderd man, en fort, en all’ gewonnen} En ’t geen dit vreemd geval, zoo roemrijk, nog vergroot, Zelfs niet één Franschman is, bij al ’t gevaar, gedood- ERNESTUS. Mijnheer! wij allen liaan verrukt eri opgetogen. KAREL. Wij eeren uwe deugd en dapper krijgsvermogen- FRED ERIK, Wij zien in dit bedrijf des Hemels fterke hand. LOUIS. Nu heb ik verder last van onzen kommandant (gen, Te melden, dat ge op *t hoogst den vlootvoogd zult vemoe- U met de burgerij dit uur aan ’t fort te voegen. Zijn exellentie wenscht met u in ’t openbaar Te fpreeken, voor het oog der gantfche burgerfchaar’. ERNESTUS. Wij zullen naar waardij den braaven beid begroeten, En twijflen niet in hem een’ waaren vriend te ontmoeten. TWAALFDE T O O N E E L. ERNESTUS, KAREL, FREDERIK, FLORIS. KAREL. Ziïe daar een zaak zoo vreemd als immer is gefchied. Dan wie van ons ziet hier ’t beftuur des Hemels niet ?...”
10

“...48 DE MARQUIS DE BOUILLÉ, DERDE BEDRIJF. Het Tooneel is een ruim plein. Men ziet aan des- Zelfs einde een fort, waarvan de Franfche vlag waait. EERSTE TOONEEL. ERNESTUS en KAREL, op den voorgrond; FRE- DERIK en FLORIS, aan ’t hoofd van eenige bur- gers; FRANCISCA, aan 't hoofd van eenige voornaame vrouwen. ERNESTUS. ’t Is zoo, getrouwe vriend! men zou dit kunnen denken. Nochtans de vlootvoogd zal zijn glori dus niet krenken. Verbeeld u flechts ’t verhaal des Franfchen officiers: Het was te éénvouwdig groot en ’t hadt te weinig zwiers, Dan dat we iets listigs of partijdigs zouden vreezen. Men kon in zijn gezigt het merk der waarheid leezen. Men wachte intusfchen af de komst des kommandants, En pleite voor ’t belang en de eer des vaderlands. KAREL. Dat niets zoo zeer dan’t heil mijns lands mij aan kan fpooren, Zal mijne taal aan elk, als ’t noodig is, doen hooren. *•51 3 ö er-...”
11

“...54 DE MARQUIS DE BOUILLÉ, ö Stem der menschlijkheid! gevoel van eer en pligt, Wat glans verwekt uw kracht op ’t helder aangezigt I.. , De taal ontbreekt me, 6 held! u naar waardij te roemen. Hoe zal mijn vaderland u fteeds met achting noemen l Hoe zal het zijn verrukt, wanneer de loftrompet Uw’ gloririjken roem op dankbre toonen zet! Hoe zal... DE MARQUIS. 6 Edel mensch! wil uwe drift bepaalen, , KAREL. Hoe kan men op zijn’ geest en driften zegepraalen Wanneer vervoeringskracht... FRANCISCA,fchiclijk toetreedende. 6 Ja, die zelfde kracht Werkt ook,in mijn gemoed, met onwcêrftaanbre magt, En voert mij juichend’ hier, ö held! voor uwe voeten. Om, uit der vrouwen naam, op ’t ncdrïgst u tc groetep. (JDe Marquis richt haar terjlond op.) Ontvang dc hulde, ö held! die ’t dankbaar hart u wijdt, Dat zich in uw’ triomf op ’t heugclijkst verblijdt. Als onderdaan des Staats, vond zich mijn ziel bewogen Om ’t leed waardoor dit oord te droevig was omtogen. Maar denk eens...”