| 1 |
 |
“...26 DE MARQUIS DE BOUILLÉ,
Hoc zal...
ERNESTOS.
Wat ijdle zorg! hoe kan het mooglijk zijn!
Bedwelmt ge uw’ vrijen göest door vergezochten fchijn?
6, Mogetj wij ditmaal der Britten magt verpletten,
Wij Zullen anderwerf hen ’t landen wel beletten.
Elk onzer zij een held! elk onzer zij foldaat!
En’t fpreekwöord zegt te recht: koomt dag,dan tijd en raad.
Kan ’t zijn, wat ijdle vrees ftelt gij u thans voor o ogen!
Befluit, in ’s Hemels naam! ’t is nog in uw vermogen.
F LOR IS.
Geloof mij, ’k ben op ’t hoogst met onzen ramp begaan.
KAREL.
En kunt gij, op dit uur, nog langer u beraên ?
FREDERIK.
Een eedverbreeker kan de vrijheid nimmer baaten.
FLORIS.
Gij kunt, niet meêr dan ik, de laage flaafsheid haaten,
ERNESTOS.
Ja, Floris! de eer en pligt van een recht Hollandsch hart
Wordt nooit gefmoord, maar groeit, bij ’t groeien van de
fmart.
Cmen;
Geen volk, dan Neêrlands volk, durft meêr op vrijheid roe-
Gcen volk, dan Neêrlands volk, durft meêr de flaafsheid
doemen; Geen...”
|
|