Your search within this document for 're' resulted in three matching pages.
1

“...HELDENSPEL. 21 Men kan zich op zijn vlijt en moed gerust vertrouwen. Maar zagt... hij is het zelf: ’k mogt veilig op hem bouwen. VIERDE T O O N E E L. ERNESTUS, KAREL, F RE D ERIK. F REP ER IK. &lijn vrienden! ’k heb mijn’ pligt naar uwen wensch be* (tracht, De dappre burgerij reeds voor uw huis georagt. Elk brandt van heldenvuur, ontvonkt doorfpijtentooren. ft Wil all> den trotfchen Brit... maar hoe! K A REL» Wat of wij hooret,! . V IJ F D E T O O N E E L. ERNESTOS, KAREL, FRED ERI KJ FLORIS, aan ’t hoofd van eenige gewagende burgers. FLORIS, tegen Ernestus. Ontzet u niet, mijnheer! wij vinden ons verpligt U, eer wij verder gaan, te Rellen voor ’t gezigt, Of ’t niet wel veiligst waare 'ons opzet nog te ftaaken ?.. ERNESTUS, hemfchielijk in de reden vallende. Hoe! wilt gij dan uwe eer, uw’ eed,uzelv’verzaaken? Wat lafheid kweekt uw hart!.. B 3 FliOr...”
2

“...36 DE MARQUIS DE BOUIELÉ, mmmm KAREL. Waar is ’t ? ’t geluid klonk in onze ooren. (Men hoort andermaal ten fchootJ) Nog eens!..Men gaa het zien. FLORIS, inkomende. Mijn heeren, ’k bid, houdt ftand. Gewis onze uitkomst ftaat alleen in ’s Hoogften hand. ’k Zag in ’t verfchiet bij ’t plein een menigte foldaaten; Zij liepen naar het fort, als vliegend’, langs de ftraaten, Terwijl nog anderen hen volgden op den voet. Den Hemel is bekend wat ons gebeuren moet. KAREL. Ik ga terftond om hoog eens uit het vengfter kijken. -FLORIS. En ik naar buiten. ÈRNESTÜS. Gaat.' ZESDE T O O N E E L. ERNES T US j FREDERIK. ERNESTUS. Wat of ons toch zal blijken ? 6 Hemel! red dit oord door uwe fterke hand! . I j r F RE-...”
3

“...HELDENSPEL. 39 Dat de eene Christen dus den andren durft beftrijden! Ja, de oorlog is een vloek voor ieder volk en land, Waar zijn vernielend vuur te ligter laaije brandt: "Vooral als wreevle trots en fpoorloos goudbejaagen Den naam van heldenmoed en krijgseer weg moet draagén; Als ’t ftroopen, ’t plondren van onweêrbre burgerij, Het fchandelijk bewijs van heldendaaden zij. Zie daar de glorikroon daar Rodneij naar dorst ftreeven. Hoe veelcn zijn hier niet uit hun bezit gedreven Hn fchaamtloos uitgefphud door ’s knevelaars geweld! Dan, waartoe dit tafreel zoo naar mij voorgefield ? De Hemel, hoop ik , eens met al ons leed bewogen, •Zal, 6 Euftatius! uw’ luister weer verhoogen. -Hoe zeer verlangt mijn ziel naar eene nieuwe maar’! Wie .nadert ons ?.. negende t o o n e e l. frederik» floris, FLORIS. Mijnheer! veelligt dat wij ’t gevaar Eerlang te boven zijn, fchoon ik ’t niet kan begrijpen, Hoe zeer ik op dees zaak mijn zinnen ook moog’ flijpen. C*4 F RE-...”