| 1 |
 |
“...4o DE MARQUIS DE BOUILLÉ,
FREDERIK.
Waar preekt gij van ? wat is ’t ? wat raag ’er toch gefchiêt} ?
TIENDE T O O N E E L.
FLORXSj ERNEST 17 S , KAREL, FREDERIK,
FLORIS.
^lijn heeren! 6 hadt gij dat fchouwfpel aangezien!..
Ik zag Cockburnc alleen op gindfche zijde rijden,
En eensflags door een troep foldaaten vreemd beftrijden.
Zij kwaamen hem , zoo ’t fcheen, toevallig te gemoet’.
Hij werd van hen terftond naar krijgsmans wijz’ begroet.
,, Waarhenen trekt gij toch zoo fpoedig,mijne vrinden?
„ Wat is ’er gaans? wat zult of wilt ge u onderwinden ?”
Dus fprak de generaal, en ’t antwoord was: „ Niets meer
„ Dan dat de Franfchen u gevangen neemen, heer, 1
„ En dat Euflatius door hen flechts is hernomen”,
Der Britten hoofdman fchecn als uit den flaaptekoomen,
De trotsheid zyns gelaats vervloog met éénen vaart.
Men ligt, al fchimpend’, hem van ’t trappelende paard,
En zet hem op den grond. Hij ftaat geheel verlegen:
*t Was juist of fir Cockburne een’ zinvang hadt gekregen...”
|
|