| 1 |
 |
“...— 25 —
7
e. op een brug, voor een dwarsstraat, tussen een vluchtheuvel
en een trottoir;
f. in of nabij een bocht en op of nabij het hoogste punt van
een helling, een en ander tenzij het uitzicht voor het overige
verkeer voldoende vrij blijft;
g. op een afstand van minder dan twaalf meter van een bord
tot aanduiding van een bushalte;
h. op een ais zodanig aangeduide oversteekplaats voor voet-
gangers ;
i. bij kruisingen of splitsingen van wegen binnen een afstand
van vijf meter van het begin van de kromming van de trot-
toirband of van het snijpunt van de rijbaankanten of de
verlengden daarvan;
j. tegenover een aan de overzijde van de weg stilstaand voer-
tuig, waar er geen voldoende ruimte voor een voorbijrijdend
voertuig overblijft;
k. aan een andere zijde van de weg of van het weggedeelte dan
door het Plaatseiijk Hoofd van Politie door een daartoe strek-
kend bord is aangewezen;
l. anders dan tot het onmiddellijk in- of uitladen van personen
of het onmiddellijk...”
|
|