| 1 |
 |
“...(70)
Gij zult wel koffie drin-j
ken ?
Hebt gij liever chocola-
de?
Zoo als u believen zal,
Wat zegt gij van Hol-
land ?'
Het is een zeer schoon
land,
Ik heb overal schoone
buitenplaats gezien,
Schoone gebouwen,
' Wat zeide men te Parijs
. op uw vertrek ?
Men sprak er van vrede
met Engeland,
- Gij zijt over land geko-
men ?
Ik ben door Brussel ge-
komen, !
Het is eene sclioone stad,
' Waar hebt gij dezen
nacht geslapen, <
In het Hotel den Roo-
den Leeuw,
Het is een goed hotel,
Men wordt er zeer wel
bediend, **) Mtott
Hebt gij geld noodig ?
Ik heb twee duizend gul
den noodig,
Gij zult ze fluksch heb-
ben/ y 1)0 l 1
Doe ons de eer van mid
dag met ons te eten,
Lo bo beebee koffi anto?
Bo kiee mihoo tjoekoe-
latoe?
Koom koe bo ta goestaa.
Kieko bo tabisa di Oe-
landa ?
Ta oen masjaa boenita
tera. .
Mi a weita toer partie
boenita koenoekoe.
Boenita kaasnan.
Kiko nan disiena Paris
ora koebo a salie ?
Han tabata papiaa di
pas koe1 Inglatera...”
|
|