| 1 |
 |
“...53
of concessie afgestanen grond de vereischte vergunning
te geven en aldus ook voor zich voordeelen te behalen,
kan het Bestuur wel niet anders dan het laatste kiezen.
Moeten wij nu nog verder gaan? Het zij zoo.
Aangenomen la Loi du 21 Avril 1810 met hare ampliatie
is hog van kracht.. Het regt tot ontginning van mijnen
behoort het Gouvernement en kan door het Gouvernement
aan derden, niet eigenaars der gronden, geconcessioneerd
worden. Toegegeven. Maar door die wet op het mijn-
wezen wordt volstrekt niet bedoeld dat wat niet onder
den grond wordt gevonden, dat behoort niet onder het mijn-
wezen. Dus zeker niet de kalk die óf op den grond wordt
gevonden óf den grond zelven omvat en men behoeft slechts
artt. 1, 2, 3, 4, 5, 57, 58, 81 en 82 op te slaan om zich te
overtuigen dat het voorbehoud ten gunste van het Gou-
vernement, beperkt wordt tot de metalen, als goud,
zilver, tin enz. maar zich volstrekt niet uitstrekt tot phos-
phorzure kalk, guano enz. die toch wel tot...”
|
|