| 1 |
 |
“... het hemelwater door talrijke slooten doorsneden,
meestal door een balk, een plank of een bruggetje verbonden.
In de trenzen loopen de „kleine trenzen en trekkers” (grep-
pels) uit. Eondom de plantage loopt de loostrens.
Hoog zijn de dijken niet. De loostrens loopt uit in de rivier,
afgesloten door sluizeh, door welke men de plantage zoowel
tegen instrooming van het zilte rivierwater bij vloed kan be-
schermen, als bij eb het overtollige regen- en grondwater loo-
zen, die bij zwaren regenval'soms bijzonder groot is.
Op regelmatige afstanden zijn de cacao- en koffieboomen
geplant, waartusschen zeer liooge, breed gekroonde boomen
staan, de z.g. „koffiemama’s”, die door de schaduw van
hun vrij zwaren bladerenkroon de lager groeiende cacao- en
koffieboomen tegen de zonnestralen beschermen.
Ze vormen zoodoende een heerlijk koel dak boven uw hoofd.
In de kweekbedden plant men de boonen, die groot ge-
worden onder de schaduw van de „bananen” worden geplant
om tegen de felle zon...”
|
|