| 1 |
 |
“.... 57 van
wettelijke rechten heeft gegeven, kan niet zoover worden uitge-
strekt, dat zjj de oude beteekenis van art. 109 geheel zou beheer-
schen. Ware dit de bedoeling geweest, dan had daarvan op duidelijke
wyze moeten blijken. Daarbij komt dat het woord wet in ver-
schillende artikelen der Grondwet (b. v. 6063) geen anderen zin
kan hebben, dan van een besluit, door de samenstemming van
Koning en Staten-Generaal tot stand gekomen.
De hierboven geschetste strijd heeft na 1887 zeer veel van zijne
beteekenis verloren.
Bij de Grondwetsherziening van dat jaar toch is bepaald, dat de
Koning in de door hem uit te vaardigen maatregelen van bestuur
(zooals zij sedert genoemd worden) geen bepalingen door straffen
te handhaven zal kunnen maken dan daartoe gemachtigd door eene
wet >). Dus zal de Koning den ingezetenen verplichtingen kunnen
ple£>en welker nakoming door straffen kan worden afgedwongen,
dan is daarvoor een wet noodig, die hem voor elk geval de be-
voegdheid daartoe...”
|
|