Your search within this document for 'la' resulted in three matching pages.
1

“... is de eeuwige roep ! Wat mij betreft, ik zie geen beter mid- del voor het herstel van misbruiken in re- geringszaken , dan ze zonder schroom aan te wazen, en volg in dezen de leer van Lord verulam » que la censure, la satire meme, soit la taxe que Vhomme en place doit au public pour le seul fait de son élévation (1). (1) By joüï. L’ingratitude politique. — Livre des cent-et-un....”
2

“...9 mogen de eigenaars zich het noodige onthouden, om uit de opbrengst van hun vee en boomvruch- ten , maize van buitenslands te koopen, om hunne slaven den kost te geven. In die eilanden kan het dus met regt gezegd worden: de eigenaars zijn de slaven van de negers. — Ware het niet, dat het vee veel handen vereischt, om het in het leven te houden, de planters zouden met weinig werk- lieden kunnen volstaan; — doch zoo is het, zon- der een aantal kloeke handen is het vee, hetwelk digen toestand van het eiland Curacao” de wereld willen doen gelooven, ontsnapte den armen uitgever van de Cura9aosche Cou- rant zijns ondanks een noodkreet; den moed daartoe vond hij in de afwezigheid van den heer Baron en het algemeen mis- noegen der ingezetenen, die » a la barbe ” van dezen zich tot den Koning hadden gewend met het verzoek, om verligting hunner drukkende belasting. Zijne woorden dragen het ken- merk der waarheid, en kunnen als bewijs worden bijgebragt van de geschiktheid...”
3

“... door eene verklaring van de regten van den bur- ger, gewaarborgd door het stelsel van vertegen- woordiging, drukpersvrijheid in den ruimsten zin amigo de la justicia y de la verdad., Febrero de 1846.” Dit is een merkwaardig stuk, belangrijk vooral voor de Israëlitische bevolking van Nederland, dewijl het licht verspreidt over de kuiperijen, welke sedert eenigen tijd te Curacao gesmeed wor- den om hunne geloofsgenooten aldaar aan de breidellooie heerschsucht van een’ eenigen derielven te onderwerpen. Men beweert, dat dit deielfde persoon is, van wien middellijk en onmiddellijk al de ongeteekende lofredenen op den Majoor esseb, welke van tijd tot tijd in de Cura<;aosche Courant verschijnen, voortkomen....”