| 1 |
 |
“... waar-
heid moet gesmoord worden ! Voor elk misdrijf
van eenen ambtenaar is genade ; omkooping ver-
eischt geen onderzoek, diefstal vindt ver-
geklcurdcn, krijgt het geheele jaar door geen gekookt voedsel
over de lippen, zijn nacht en dag blootgesteld aan elke regen-
vlaag, terwijl de a/zigtelijkste kwalen hen verteren. — (Zie
voor het getal onvermogenden onder hen, den staat der bevolking
in het 38 nommer van het tijdschrift: » Bijdragen tot de kennis
der Nederlandsche en vreemde koloniën,” te Utrecht by van
her post. Jaargang 1846.)...”
|
|
| 2 |
 |
“...14
ruimte als de omstandigheden het vorderden.
Thans wordt deze heillooze zucht van de vertegen-
woordiging en den Minister, om zich in de huis-
selijke aangelegenheden der koloniën te mengen,
algemeen betreurd, en beklaagt men zich het vast-
houden aan het ongelukkige dwaalbegrip, dat de
regering de wijsheid bezit, om gepaste wetten te
maken voor koloniën, welke duizende mijlen ver-
wijderd liggen (1), doch let wel, de toestand dier
bezittingen is op verre na zoo hopeloos niet, als
die der Nederlandsche, waar de negerslavernij nog
in volle kracht gehandhaafd wordt. Bij de Engel-
schen is de veerkracht nimmer verlamd, het her-
stellingsvermogen onuitputtelijk, zijne instellingen
van vrije verkiezing, vrije drukpers en regtsple-
ging door gezworenen, maken genezing mogelijk
voor elke kwaal, zoodat weldra het kwaad de ko-
loniën en het rijk berokkend, hersteld zal zijn.
Intusschen wanneer men overweegt, dat dit de
uitslag van de bemoeijing van het Gouvernement
is...”
|
|
| 3 |
 |
“...• 22
en zoolang er geen geruchtmakende algeheele her-
vorming in die besturen wordt daargesteld, zal
deze overtuiging niet worden uitgewischt. Het is
een onmisbaar vereischte de Nederlandsche kolo-
nisten in de West-Indische eilanden in hunne
constitutioneele regten te herstellen. Het regerings-
reglement behelst bijkans niets, dat daartoe dienstig
is. Men mag het nutteloos, overtollig achten, de
regten van den burger in de grondwet van het
Koninkrijk naauwkeurig te omschrijven, of zelfs
hem iets als een onvervreemdbaar regt toe te ken-
nen, met die van de koloniën moet dit niet plaats
hebben. Tot hiertoe heeft men zich eeniglijk toe-
gelegd, om in elk artikel van het regeringsregle-
ment de leer, dat de Gezaghebber tegenover de
bevolking onschendbaar is, met groote trekken in
te weven; die onschendbaarheid door handelingen
van het Gouvernement gestaafd, heeft zich over
de ambtenaren uitgebreid; men dient hiervan te-
rug te komen, en het reglement te doen vervangen...”
|
|