Your search within this document for 'be' resulted in nine matching pages.
1

“...EMANCIPATIE DER SLAVEN. Let but the same chances be given to the new scheme of reinvigorating the colonies, as were given to the old. — Let the experiment be made, not with the disadvantages of indifference or parsimony, but as such trials are conducted when a mighty prize is at stake, — with heartiness, confidence, and liberality. — Let the planters first be put in that position which is the ne- cessary •point du depart and then assured of the con- tinuous sympathy and co-operation of their countrymen at home. (The Times of Wednesday, May 10, 1848.) In eenige der aan den Koning gerigte adres- sen betreffende de herziening van de grondwet, beeft men aangedrongen op de afschaffing van de slavernij in de koloniën. Het ware te wenschen, dat het verlangen daartoe zich meer algemeen hadde geopenbaard. De slavernij der negers is thans eene onhoudbare kwestie geworden; — de beslissing daar- van kan niet worden verschoven, zonder de kolo- niën in den grond te helpen; — en...”
2

“...4 En evenwel wilt gij hun de wet voorschrijven? Ziedaar juist hetgeen de Engelsche volkplantingen in Noord-Amerika tot opstand dreef. Wilt ge zeggen: » onze koloniën zijn te zwak, om tegen ons op te staan?” Zoudt ge het regt van den sterkste willen uitoefenen, het heilig bezitregt schen- den en hun wettig bezeten goed onteigenen; — de slaven vrij maken, zonder de eigenaars in hunne belangen te hooren, dewijl ze onvermogend zijn weêrstand te bieden? Doe het niet! derge- lijke daden wreken zich vroeg of laat. Geen doel ter wereld kan onregtvaardigheid wettigen: bedenk u! Ge staat gereed, in naam der vrijheid eene daad van dwingelandij uit te lokken; is dit be- staanbaar? kan vrijheid tieren op zulken slechten grond? niet mogelijk. Laat ons nog eens beginnen. Gij en ik wij verlangen de bevrijding van de negers, want vrij- heid is een regt hun door de Voorzienigheid ge- schonken, en hetwelk alzoo geen sterveling hun mag onthouden; doch wij erkennen tevens, dat ook de...”
3

“...15 de gezegendste vruchten droeg, en een algemeen streven naar vooruitgang de bevolking kenmerkte, wat zal men dan van eene gelijke bemoeijing ver- wachten in de dorre Nederlandsche West-Indische eilanden, waar de bevolking sedert jaren zorgvuldig ingebroken, alle geestkracht heeft verloren, aan armoede en gebrek ten prooi, zonder eene schaduw van vertegenwoordiging zich thans tot overmaat van ramp aan al de willekeur eener familierege- ring ziet overgegeven (1); — waar wanbestuur haar ijzeren scepter zwaait en de leer openlijk beoefend wordt, dat elke daad, elke handeling aan het be- stuur geoorloofd is, mits het slechts zorg draagt geen bewijs tegen zich in handen te geven. Ge- voelt men niet, dat er al reeds sinds jaren geen beroep voor den burger bestaat? Dat hij het on- gelijk hem aangedaan in Nederland zelfs niet bekend durft maken, uit vrees voor ergere mishan- deling? Kan men zich niet begrijpen, welke uit- werking het bewustzijn daarvan zoowel op het (1...”
4

“...16 bestuur als op het volk te weeg brengt? Wie die de koloniën kent, is in staat met bedaardheid de gevolgen van de emancipatie der negers onder bestaande omstandigheden voor de koloniën te be- rekenen! — Moge het Opperwezen in deszei fs grenzenlooze barmhartigheid die ongelukkige volk- plantingen een uitzigt openen, door eindelijk in de natie het gevoel van mededoogen met derzelver hulpeloozen toestand op te wekken. Den negerslaven moet de vrijheid geschonken wor- den , doch bijaldien men niet vooraf den grond legt tot verbetering van den zedelijken en maatschap- pelijken toestand der blanke bevolking, is voor de kolonie geene redding mogelijk. — Vóór alles dient hierop gewerkt te worden: men beginne met het emanciperen van de blanken. De koloniën dienen te worden aangemerkt, niet als Gouvernements eigen- dom , maar als het eigendom van de natie; wil het Gouvernement volstrekt gezag in de koloniën uit- oefenen , dat het zich dan bepale tot de uitvoe- rende magt...”
5

“...20 en laat het als voorheen worden vastgesteld, dat elk, die zich in de koloniën wil nederzetten, voor een zeker getal jaren vrijstelling van belas- ting zal genieten; — deze en andere voorregten moeten worden uitgeloofd, dewijl de vreemdeling door zich in de verarmde Nederlandsche West- Indische eilanden te vestigen, ons eene gunst be- wijst. Dat hij, door wien men noodig acht de majesteit des Konings in de genoemde eilanden te doen vertegenwoordigen, een vrijzinnig, bekwaam en regtschapen man, niet de onderworpen pacha van een despotisch Grootvizier zij (1); — dat Chris- ten Zendelingen, niet van het Gouvernement voor hunne bezoldiging afhankelijk, Gods Woord in de koloniën verkondigen; zorg, dat zij om de drie ja- ren worden vervangen; houd beweging in dien stroom; indien zij stilstaat, komt er bederf. Moe- dig den handel aan, de tijd is juist nu ongemeen gunstig, daar de handel van Europa op St. Tho- mas, door den oorlog, waarin Denemarken ge- wikkeld is, ligt...”
6

“...21 Nederlandsche, het komt er slechts op aau de kooplieden van St. Thomas vertrouwen in te boezemen, om hen derwaarts te lokken. Dit kan alleen bewerkt worden door de toepassing van de meest liberale beginselen in de vorming van een nieuw bestuur. Halve maatregelen zijn daartoe on- vermogend! Vrije haven is een woord zonder be- teekenis daar, waar geen zweem van waarborg be- staat tegen willekeurig gezag. De tegenwoordige vorm van bestuur in de koloniën is met bet geven van zoodanigen waarborg in strijd en een ieder, hij zij vreemdeling of inwoner, is aan de genade van den Majoor Gezaghebber en zijne talrijke beambten ten prooi, zonder hoop van redres, daar tallooze wette- lijke verordéningen gelijk zoo veel valstrikken ge- spannen zijn, om een ieder te vangen die het bestuuh vangen wil ! Geen vreemdeling wil zijn persoon noch zijn fortuin daaraan wagen; ik ken de denk- wijze van vreemde kolonisten op dit onderwerp, uit hunnen mond, en de algeheele mislukking van...”
7

“... voor dit oogmerk aan de Staten-Generaal dede voorleggen, de strekking hebbende van den maatregel op zoo- danig later tijdstip in zijn geheel in werking te brengen, als de regering, met inachtneming van al hetgeen daaromtrent door de kolonisten mag wor- den aangevoerd, geschikt en gepast zal oordee- len;- — want zonder de kolonisten te hooren, is naar mijn gevoelen, noch de Minister, noch de vertegenwoordiging bevoegd, over zaken, hunne be- langen zoo naauw rakende, te beschikken. Ik eindig met mijnen landgenooten, die de Eman- cipatie der negerslaven en het welzijn van het va-...”
8

“... Nederlandsche West-Indische be- zittingen , met uitgebreide magt tot het nemen van al zoodanige maatregelen, als de omstandigheden, mogen vorderen; — dat het tevens eenige oorlog- schepen te zijner beschikking stelle, niet om met (1) De Majoor esser, niet lang nadat hij, zoo als bekend is, (zie Cura9aosche Courant van den 12 December 1846, n°. 50) door eenen Militair voor het front van zijne onderhebbende troe- pen eenen slag in het aangezigt had ontvangen, eene gewapende inspectie willende houden, beval vooraf de vuursteenen van de geweren te laten nemen* — De indruk hierdoor te weeg ge- il ragt was groot en algemeen ƒ...”
9

“...30 Administratiestukken te varen, maar om de zwarte bevolking ontzag in te boezemen; en bovenal late het den ingezetenen dat aandeel in de regering hetwelk door mij wordt voorgestaan, en zonder hetwelk ook de heilzaamste ontwerpen van het be- stuur door de tegenwerking, welke het van den kant der ingezetenen zal ondervinden, onophoude- lijk zullen mislukken; — maar helaas! ik vrees er is slechts al te veel grond voor de aanmerking van de times, » dat vertraging nog steeds aan de orde van den dag is, en dus een nieuw be- wijs oplevert, dat het karakter der Nederlan- ders niet geschikt is voor den snellen vooruit- gang van den tegenwoordigen tijd....”